Waarom ik geen Methylfenidaat meer neem #tbt

blur-1261022_1920

‘Slik je nog Methylfenidaat?’, vroeg de psychiater.
‘Nee, het werkt niet’, antwoordde ik.
‘Oké, want je slikt nu drie pilletjes per dag. Wanneer heb je hem vandaag voor het laatst genomen?’, vroeg ze terwijl ze nog steeds niet op keek van haar map.

Ik mocht haar sowieso al niet. Ik weet niet precies wat het was, misschien omdat ze op Miranda Priestly  van The Devil Wears Prada leek of omdat ze verscheidene publicaties over ADHD op haar naam had staan. Ze had iets arrogants over zich heen. Zo liet ze me de eerste dag een half uur in de wachtkamer zitten, omdat ze dacht dat ik niet Stacey Met-Een-Zeer-Nederlandse-Achternaam kon zijn. Ik klaagde bij de receptie dat het zo lang duurde en zij klaagde bij de receptie dat Stacey wel had mogen af bellen. En toen keken we elkaar aan en wist ik dat die vervelende, geïrriteerde vrouw die ik al een tijdje aan het observeren was, mijn arts zou zijn.

Ze keek me verbaasd aan. ‘Jij bent zeker niet Stacey Met-De-Nederlandse-Achternaam’, zei ze ongeïnteresseerd.
‘Toevallig wel’, antwoordde ik. Ze nam mij zorgvuldig in zich op.
‘Tja, dat zou ook wel de lage BMI verklaren met zo’n achtergrond’, mompelde ze.

De receptioniste kirde nog dat dit een match was en wenste mij veel succes. Ik had bijna gezegd dat ik dat wel nodig had.

Eenmaal in haar kantoortje had ze het steeds over diabetes en hart- en vaatziekten. Want dat zou vaker voorkomen bij mensen met mijn achtergrond. Ze mat me op en woog me. ‘Je hebt gewoon ADHD en ik schrijf een recept uit voor Methylfenidaat’, zei ze zonder dat er verder nog iets van onderzoek aan te pas kwam.

Even later stond ik buiten met het recept en besloot het dan maar meteen op te halen, zodat ik er meteen aan de slag mee kon gaan. Op dat moment was ik nog in de volle overtuiging dat al mijn levensproblemen te wijten waren aan ADHD. Dus als er een pilletje bestaat die mij zou kunnen helpen daarmee, dan was ik sowieso een gelukkig mens. En wat voelde ik me gelukkig toen ik een doosje meekreeg van de apotheek! Het idee dat ik nu een oplossing had voor mijn vreemde gedrag. Dag saaie Stacey, hallo spontane Stacey! Want dat was ook een beetje de conclusie van de psycholoog. Doordat ik zoveel in mijn hoofd zat onderdrukte ik mijn ware ik. En mijn zogenaamde ware ik was een drukke ADHD-er die geen saaie momenten kende. Daar kon ik mij goed in vinden.

De volgende ochtend ging mijn ex naar zijn werk.
‘Dus als ik terug kom dan heb ik een andere Stacey voor me. Een spontane Stacey’, zei hij lachend.
En ik lachte mee, want ik had het idee dat dingen nu anders gingen worden. Dat ik nu eindelijk de vriendin werd waar hij op hoopte. Ééntje die hij mee kon nemen naar feestjes, ééntje die lekker slap kan ouwehoeren op feestjes, ééntje die niet zoveel nadacht.

Ik besloot om mijn allereerste pilletje om negen uur ’s ochtends te nemen en dan gewoon te gaan wachten totdat hij begint te werken. Ondertussen las ik nog wat ervaringsverhalen door. Mensen gaven aan dat ze de wereld beter zagen met Methylfinidaat, dat ze een leger hoofd kregen en dat ze toe kwamen aan het voltooien van taken. Het huishouden bijvoorbeeld. Wat leek me dat gaaf om dat gewoon te kunnen doen. In één keer zeg maar, en niet onderbroken worden door dingen die je tijdens het opruimen vindt, of dat je ineens het nut niet meer ziet van schoonmaken en er daarom maar mee kapt.

Mijn verwachtingen waren zo hoog van dat medicijn, dat ik een soort van teleurgesteld raakte toen ik niks merkte. Ik zag geen verschil, ik voelde geen verschil en in mijn hoofd was ik nog steeds druk met denken. Ik appte een studiegenootje die al geruime ervaring met dit medicijn had. Ze gaf aan dat mijn lichaam moest wennen en dat ik gauw verandering zou zien.

Ik hield me daar maar aan vast. Vooral toen mijn ex teleurgesteld thuis kwam: ‘Je bent eigenlijk nog steeds dezelfde.’

’s Avonds gingen we naar zijn ouders waar ik een preek kreeg over de gevaren van Methylfenidaat. Dat ik een drugsverslaafde zou worden en daardoor niet in staat zou zijn om later eventuele kinderen te kunnen opvoeden. Ze lieten namelijk vaak graag doorschemeren dat ze grootouders wilden worden. Geen idee of hun wens nu onderhand wel in vervulling is gegaan. Ze zeiden dat ik door het medicijn langzaam krankzinnig zou worden, want dat was ook gebeurd met een broer van een aangetrouwde tante.

Ik moest huilen. Ik wist niet waarom. Misschien omdat ik zelf teleurgesteld was dat het niet werkte, misschien omdat ik ergens wist dat dit het laatste redmiddel tussen mij en mijn ex was, misschien omdat ik mij aangevallen voelde door zijn ouders of misschien werd ik toch bijna ongesteld. Ik wist het niet meer. Toch slikte ik het nog ongeveer drie maanden lang, maar het voelde met de dag nuttelozer. Dus besloot ik op een ochtend om er maar mee te stoppen. Een paar dagen later vroeg ik mijn ex of hij die week verschil aan mij merkte. Hij zei van niet en de rest van de omgeving merkte ook niks raars aan me. Toen kwam ik tot de conclusie dat het niet werkte voor mij.

En dat zei ik ook tegen Miranda Priestly de psychiater. Ze begon half te schreeuwen dat ik nooit zomaar mocht stoppen met het medicijn. De kans op afkickverschijnselen was groot. Ik had het met haar moeten overleggen en dan zouden we gaan afbouwen.
‘Nou ja, ik stopte en ik kreeg nergens last van. Ook geen afkickverschijnselen’, zeg ik onverschillig. Oké, ik geef toe dat ik wel even bang was voor wat ik had gedaan. Het had misschien wel heel verkeerd kunnen aflopen.

‘Ik twijfel ook een beetje aan mijn ADHD- diagnose”, mompelde ik.
‘Nou nee, ADHD heb je gewoon, zei ze, en je hoort ook gewoon je medicijnen te slikken. Je gaf aan dat het niet werkte he? Dat kan ook aan de dosering liggen. Ik verhoog de dosering maximaal. Vanaf nu mag je zes pilletjes op een dag.’

Zes? Hier schrok ik van. Is dat niet een beetje te veel van het goede?

Ze schreef meteen een recept uit.

Mijn ex was het niet eens met de hoge dosering die ik nu mocht nemen. Zijn ouders waren nu helemaal in alle staten en zagen dit als het bewijs voor hun theorieën. Maar toch zei een stemmetje in mijn hoofd: ‘Maar wat als…’

Dus besloot ik, zonder daar iemand over in te lichten, zes pilletjes te nemen in een prikkelgevoelige omgeving, namelijk de dierentuin. Nu ben ik niet zo een dierentuinfan. Te veel prikkels: te veel geuren, te veel mensen, te veel kinderen, de verschillende thema’s in het park waar ik rekening mee moet houden (oh nu lopen we door een nagebootste dessert met losvliegende exotische vogels), en dan het ergste… Ik zie overal dierenleed. Is die kooi wel ruim genoeg? Is die ijsbeer nou echt gelukkig?

Oké, ik dwaal wat af maar mij maak je gewoon niet blij met een bezoekje aan de dierentuin. En toch ging ik er weer heen en hoopte dat ik met die zes pilletjes gewoon ontspannen kon rondlopen en genieten van de wilde dieren. Ik merkte niks. Mijn gezelschap vond mijn pessimisme niet anders dan normaal. Ik was klaar met Methylfenidaat en ADHD.

Maar wat was er dan met mij aan de hand?