Ik ben een meisje! #tbt

De eerste keer dat mijn vader mij naar zwemles bracht ging er een hoop niet goed. Zo liep hij regelrecht met mij naar de jongenskleedkamer. ‘Maar ik ben een meisje!’, riep ik verontwaardigd. ‘Ja maar ik niet, zei hij, we kleden nu hier om.’ Hij zette mij op de bank tussen de jongens. ‘Als mama mij brengt, dan gaan we wel naar de meisjeskleedkamer’, klaagde ik. Mijn vader antwoordde niet, omdat hij druk bezig was met graaien in mijn tas. ‘Ik ben je badpak vergeten!’, zei hij ineens verschrikt.

Ook dat nog! Mijn vader liep meteen naar de receptie om daar een reserve badpak te scoren. Ik werd aangetikt door een jongen naast mij. ‘Heeee, ik dacht dat jij een meisje was’, riep hij. ‘Ben ik ook’, riep ik terug. ‘Wat doe je dan in de jongenskleedkamer?’ ‘Gewoon.’ Ik schaamde me op dat moment al genoeg.

Mijn vader kwam terug: ‘Ze hebben geen badpakken Stees. Alleen zwembroeken.’ Wat?! Als vijfjarige moet je het er dan gewoon maar mee doen. Want de volwassenen zijn de baas. Ik trek mijn zwembroek aan en schaam me. ‘Zie nou wel dat je een jongen bent!’, roept het irritante rotjoch naast me. ‘Ik ben een meisjuh!’, roep ik weer terug. Maar ik was mijn geloofwaardigheid al lang verloren.

Ik had een jongenskapsel

Op zich was het niet de eerste keer dat mensen dachten dat ik een jongen was. Als kind had ik een jongenskapsel. Geen idee wat mijn moeder dacht toen ze me naar de kapper bracht. Volgens haar wilde ik een kort kapsel.

‘Maar je kon mij toch ook een kort meisjeskapsel aanmeten?’, vroeg ik. ‘Ja, ik weet niet. Jij vond dat mooi dacht ik’, zei mijn moeder. Ik geloof ook dat ze niet precies weet wat ze op dat moment deed. Ik heb ook het vermoeden dat ze nu twijfels heeft over mijn kapsel destijds. Maar goed, ergens had ze wel gelijk. Ik vond het ook gewoon mooi.

Ik had namelijk twee stoere buurjongens met van die toffe gel kapsels. Op een dag kwam één van de buurjongens zijn nieuwe kapsel showen. Het zat vol gel inclusief kuif (het waren de jaren 90). Ik vond dat zo mooi dat ik ook gel wilde hebben en een kuif. De eerst volgende keer dat ik bij de kapper zat vroeg ik de kapster om zo’n kapsel. Ik kwam terug met een rattenkopje en een kuif en mijn zusje liet haar lange krullen bijpunten. Alhoewel ik ongelooflijk trots was op mijn kapsel, kreeg mijn zusje alle complimenten. Dat vond ik jammer.

Geen meisjes- meisje

Tussen mijn zusje en mij zat destijds een enorm contrast. Zij was (en is!) een echt meisje- meisje, en ik was meer een jongens-meisje. Ik was altijd meer onder de indruk van jongens en mannen.

Zo is er een foto dat ik verkleed ben als Donald Duck en zij als Katrien. Daarnaast had ik een indrukwekkende collectie aan autootjes. En dan het liefst die je zo ver naar achteren moet rijden totdat het niet meer kan en dan laten wegschieten. Ik zat vaak in mijn kamer te testen of alle auto’s even snel gingen, en of het uitmaakt of de deurtjes wel of niet openstonden.

Mijn zusje was meer van de Barbie’s. Die vond ik zo stom dat ik beledigd raakte als ik een Barbiepopje bij mijn Happy Meal kreeg. Je had destijds van die Barbie en Hot Wheels bij de Happy Meals. Alle meisjes een Barbie en de jongens een Hot Wheels autootje. Ik ruilde mijn Barbie steevast in voor een Hot Wheels auto. Ik vond die Hot Wheels zo gaaf dat ik meende dat bepaalde artiesten op de radio odes zongen aan de Hot Wheels. Zoiets als: “Gotta keep it down honey, lay your back on the line. ‘Cause I don’t care about the money, don’t be wasting my time. You need Hot Wheels, get off my case. You gotta slow it down baby, just get out of my face”. Ik hoor het echt nog steeds.

Soms vroegen medekinderen waarom ik zo’n kort kapsel had. ‘Voor de warmte’, zei ik dan. Maar dat loog ik. Ik vond het gewoon heel makkelijk en lang haar vond ik stom. Het allerstomst vond ik namelijk van die meisjes met lang haar met knipjes en staartjes erin. Ik vond dat zo truttig, zo lelijk! Daarom wilde ik geen lang haar. Gegarandeerd dat mijn moeder mij zo’n kapsel zou aanmeten. Ik zag het namelijk al misgaan bij mijn zusje.

Ik wilde geen jongenskapsel meer

Toch kwam er een omslag toen ik een jaar of zeven, misschien acht, was. Ik was met mijn moeder en zusje op de kermis. We hadden allebei een prijs gewonnen. Mijn zusje kreeg een pop. ‘En voor de jongeman een auto’, zei de kermisman. Ik nam de auto aan en voegde eraan toe dat ik een meisje ben.

‘Mam, ik vind het wel vervelend dat mensen steeds denken dat ik een jongen ben’, zei ik. Mijn moeder gaf aan dat ze dat kon voorstellen. We spraken af dat ik mijn haar ging laten groeien en dat ik dan geen gekke staartjes of knipjes in hoefde. Ik liet mijn haar groeien en vond het helemaal niks. Vooral niet omdat de omgeving mij steeds onder druk zette om knipjes en staartjes in te doen. ‘Je moet meer met je haar doen’, werd er dan gezegd. Uiteindelijk bleek de boblijn een geweldige middenweg.

Ik heb geen piemulll!

Terug naar mijn eerste zwemles met mijn vader. Beschaamd liep ik achter de jongens aan de kleedkamer uit naar de douches. ‘Oh Stacey is een jongen!’, riep een meisje. Ik riep weer terug dat ik een meisje was. ‘Maar je komt uit de jongenskleedkamer, je draagt een zwembroek en je hebt kort haar’, zei het wicht. ‘En toch ben ik een meisje!’, riep ik terug.

De rest van de zwemles moest ik steeds roepen dat ik een meisje ben. Niemand geloofde me nog. Zelfs random kinderen van andere groepen kwamen vragen hoe ik ineens een jongen was geworden. ‘Ik heb geen piemulll!!!’, schreeuwde ik nog een keer ergens. Ik werd er moe van.

Eenmaal thuis deed ik mijn beklag bij mijn moeder die boos werd op mijn vader dat hij me dit aan deed. Hij heeft dit serieus jaren later nog moeten aanhoren.

‘Maar mama ik vind het zo gek dat ze meteen denken dat ik een jongen ben als ik een zwembroek draag, kort haar heb, en bij de jongens omkleed. Als ik zeg dat ik een meisje ben, dan ben ik gewoon een meisje.’ Mijn moeder legde uit dat kinderen dat inderdaad kunnen denken.

Ik bleef het heel lang raar vinden. Vooral toen ik bij de volgende zwemles in badpak uit de meisjeskleedkamer kwam. ‘Hey, nu ben je weer een meisje’, zei een kind.