Gebrek aan ruimtelijk inzicht #tbt

Gebrek aan ruimtelijk inzicht #tbt

Mijn ruimtelijk inzicht begon ik ergens te ontwikkelen op de basisschool. We moesten een kubus vouwen en hadden hiervoor een vouwpatroon. Er was één vouwpatroon aanwezig die we om de beurt moesten overtrekken op een gekleurd stuk papier. Daarna moesten we deze versieren, uitknippen, vouwen en de plakranden besmeren met lijm. Het duurde erg lang voordat ik het vouwpatroon kreeg. Ik was ook nog eens een introvert kind. Terwijl al die andere kinderen schreeuwden dat zij de volgende waren die het vouwpatroon mochten, besloot ik zwijgend op mijn beurt te wachten. Nu zei ik nooit veel in de klas. De volwassenen dachten dat ik wellicht autistisch of doof zou moeten zijn. In mijn hoofd zag ik een kubus voor me. Ik kon erom heen lopen, de onderkant bekijken en van bovenaf naar het geheel kijken. Plotseling viel de kubus uit elkaar en zag ik het vouwpatroon inclusief de plakranden. Ik begon het patroon te tekenen, knipte het uit en zette de kubus in elkaar. M’n klasgenootjes waren onder de indruk en ik tekende, voor degene die nog geen kubus hadden, de kubus uit. Tegen de tijd dat ik deze vaardigheid echt nodig had in mijn schoolcarrière reageerde ik er zo apathisch op dat er in mijn rapport stond: “gebrek aan ruimtelijk inzicht”.

Wiskunde en ik bleken geen gouden combinatie op de middelbare school. Toen ik voor het eerst mijn wiskundeboek onder ogen kreeg schrok ik. Dit was niet hoe ik wiskunde had voorgesteld. Nu schrik ik wel vaker van lesmateriaal en raak ik in paniek als ik moet leren, maar dit was één van de eerste keren dat ik in paniek raakte van onderwijs. Sowieso was de brugklas één groot wtf- moment voor mij. Ik begon netjes aan hoofdstuk één paragraaf één zoals dat in mijn Popagenda stond. Dat was overigens mijn enige doel voor de middelbare school: een Popagenda kopen. Bestaan die dingen nog eigenlijk? Als ik erop Google krijg ik alleen popconcerten agenda’s. Anyway ik weet nog exact waar het eerste hoofdstuk wiskunde in mijn middelbare schoolcarrière over ging. Er waren twee poppetjes getekend die gescheiden waren door een muur. Doormiddel van tekenen met de geodriehoek moest ik bepalen of die poppetjes elkaar wel of niet konden zien. Ik paniekte. Waarom moest ik dit leren? Wat ben ik aan het doen? Wat is het nut? Waarom moet ik kunnen uittekenen of mensen elkaar konden zien achter een muurtje, alsof ze zelf incapabel waren om te kunnen bepalen of ze elkaar al dan niet konden zien? In paniek rende ik naar beneden en riep dat ik wiskunde moeilijk vond en of mijn vader mij kon helpen. Hij begreep totaal niet waarom ik zo moeilijk deed. Het was toch peanuts om dit even uit te tekenen? Ik vond het allemaal niet goed voelen.

Zenuwachtig ging ik naar de volgende Wiskundeles met het idee dat ik de stof amper beheerste. De docent controleerde of wij ons huiswerk hadden gemaakt. Iedereen had netjes zijn schrift open en ik zag de gekleurde, rechte lijnen die zij hadden. Mijn lijnen waren niet strak, niet gekleurd en mijn handschrift was vaag. Tot overmaat van ramp gingen we de opdrachten klassikaal bespreken waarbij iedereen een beurt kreeg. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik zag de tijd langzaam voorbij tikken. Ik hoopte dat de bel ging voordat ik een beurt kreeg, maar voor zulke dingen moet het lot je goed gezind zijn. Ik kreeg een beurt. De docent keek mij indringend aan. Hij vroeg of Ilse en Lydia elkaar konden zien. De som was uitgetekend op het bord. Mijn gedachtes waren leeg. Ik probeerde na te denken, maar er gebeurde niks. Ik antwoordde met een “nee”. Dat klopte, maar ik moest ook uitleggen waarom het klopte. “Omdat waar de muur eindigt er een soort hoek zit. Lydia staat eigenlijk om het hoekje. Als Ilse Lydia wil zien dan zou ze eigenlijk omdat hoekje moeten kunnen kijken. Als je blijft stilstaan kun je niet om dat hoekje kijken”. Eerlijk, ik had ook geen idee waar dit antwoord vandaan kwam. En dit bleek ik later vaker te hebben bij wiskunde waardoor ik meer onvoldoendes had dan voldoendes. De docent keek mij aan alsof ik water liet branden. Het antwoord was fout. Ik schaamde me kapot. Was ik wel vwo- waardig? Een ander meisje kreeg de beurt. Ze legde de docent feilloos uit welke lijnen hij moest tekenen zodat we konden bepalen of de meisjes elkaar al dan niet zagen. Conclusie: ze zagen elkaar niet. “Snap je dat Stacey?”, vroeg de leraar op een strenge toon waardoor ik bijna moest huilen. Ik knikte van ja. Nee, ik snapte het niet. Ik snapte de achterliggende gedachte van de lijnen niet. Uiteraard scoorde ik een onvoldoende op de toets. De eerste in mijn leven. Mijn wereld stortte in.

In de tweede klas was ik zo ongeïnteresseerd geraakt in wiskunde dat het me ook niet meer boeide. Ik schreef mijn huiswerk over van andere leerlingen of uit het antwoordenboekje. Ik leerde amper voor een toets en soms haalde ik gewoon een zeven. De docent vond dat ik het allemaal best wel kon, maar ik moest gewoon meer vragen stellen. Maar tijdens de Wiskundeles gebeurde er gewoon helemaal niks in mijn hoofd. Tijdens de uitleg begreep ik het allemaal prima maar mijn hoofd zei: “ja, dus?”. Mijn moeder ging vaak praten met de leraar Wiskunde. Iedere keer kreeg ze te horen dat ik het allemaal best wel kon en dat ze niet goed wisten wat ik nou deed op de toets waardoor ik onvoldoendes haalde. Ik deed te moeilijk, ik maakte extra sommen voor het oplossen van een antwoord. Soms gingen die sommen zo ver door dat ik op formules uitkwam die ik nog niet hoorde te beheersen. Maar dat was gewoon allemaal fout. Wellicht had ik last van faalangst dachten ze.  Durfde ik daarom ook geen vragen te stellen in de klas? Ik zei altijd dat ik gewoon geen vragen had. Die had ik ook niet. Maar volgens de volwassenen was dat onmogelijk met mijn cijfers. Dus moest ik extra Wiskunde doen. Ik moest op extra Wiskundeles na schooltijd en kreeg nog eens extra huiswerk. Ik raakte daar zo gefrustreerd van dat ik alleen nog apathisch kon reageren tijdens Wiskunde.

Op een dag sprak de docent met mijn moeder af dat ik deze week één vraag moest stellen tijdens de les. Ik voelde de druk. Ik stelde dat moment zo lang mogelijk uit totdat ik er niet meer onderuit kon. Ik bedacht me dat ik gewoon een vraag kon stellen die ik wel wist. Zoals hoe ik 2X = 3 moest uitrekenen, maar dat zou dan  voor hun bevestigen dat ik heel slecht was in Wiskunde. Tijdens het vragenmomentje stak ik aarzelend mijn vinger op. Verwonderd keek de docent op en gaf mij meteen een beurt. “Waarom doen we deze formule? Waarom klopt deze formule? Hoe is deze formule ontstaan? Waarom weten we dat dit klopt?”, vroeg ik zacht. De docent keek mij met grote ogen aan. “Geen idee. Ik weet het niet. Ik weet dit echt niet”, zei hij geschrokken en gooide zijn krijtje op zijn bureau en ging zitten. Ik bleef hem aankijken, wachtend op een antwoord die niet kwam. Ik was er klaar mee. Wiskunde zou ik nooit begrijpen.

Tien jaar later hoorde ik dat deze docent ooit had geopperd of ik hoogbegaafd kon zijn, maar niemand  dit idee steunde (op basis van mijn slechte wiskundecijfers).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s