Mijn roots

Mijn roots

Tijdens mijn trip naar Israël ontmoette ik een Amerikaans meisje met wie ik zo’n beetje de hele trip ben opgetrokken. Op één van de eerste dagen zijn we vanuit Tel Aviv (waar we verbleven) naar Jeruzalem gegaan. Daar hebben we een georganiseerde tour gemaakt door de oude stad. De eerste bezichtiging was de Heilige Grafkerk; een één of andere bedevaartsoord voor christenen die geloven dat Jezus op die plek is gestorven. We eindigden de rondleiding ergens op het dak van de kerk waar de Ethiopiërs een eigen ruimte hadden. We liepen dwars door hun dienst heen, wat ik raar vond maar niet raar genoeg om mij daar druk over te maken. Mijn Amerikaanse vriendin zag dat anders. Zij zag hier duidelijk een onderscheid tussen de witte en de zwarte mensen. “Waarom mochten de witte mensen in de grote kerk hun dienst houden en worden de zwarte mensen verbannen in een minikerkje op het dak?”, riep ze tijdens onze lunch. “Nou misschien was het destijds zo afgesproken, omdat de zwarte mensen een net wat andere religie aanhangen dan de witte?”, mompelde ik nog. Ze was niet overtuigd.
Naar aanleiding van de gebeurtenissen van vorige week in Amerika poste mijn Amerikaanse vriendin een verhaal op Facebook. Hierin werd gezegd dat witte Amerikanen een duidelijke roots hebben in Europa. Ze hebben bijvoorbeeld Poolse, Franse of Ierse voorouders. Zwarte Amerikanen kunnen, dankzij de slavernij, dit niet zeggen. Voor hen liggen hun roots in Afrika. Maar Afrika is geen land, maar een continent. Dus de vraag is, waar dan in Afrika? Hier moest ik over nadenken. Kennelijk vinden mensen het belangrijk dat ze zich kunnen identificeren met een land of bevolkingsgroep. Ik ging bij mezelf na of ik, als bruine Nederlander, dit ook had.

“Namaste! Jij komt uit India”, zei iemand tegen mij laatst. “Ik kom niet uit India”, zei ik terug. “Jawel”, zei hij. “Nee”, zei ik. “Ja, want je lijkt op iemand die ik ken uit India”, zei hij. “En toch heb ik geen Indiase roots”, antwoordde ik verveeld terug. “Weet je het zeker?”, vroeg hij. “Ik weet zelf toch ook wel waar ik vandaan kom”, antwoordde ik geïrriteerd en legde hem niet eens uit waar mijn echte roots lagen. Ik vind trouwens ook niet dat ik mensen dat hoef uit te leggen. Toch begrijp ik het wel dat mensen het interessant vinden als ik, met mijn niet Nederlandse hoofd, ergens binnen stap. “Oh ik ben zo jaloers op je huidskleur”, zeggen ze dan. En dat geloof ik niet, want dat zeggen ze alleen maar om te laten merken dat ze totaal oké zijn met je huidskleur of gewoon om maar wat te zeggen om het ijs te breken. Ik zie mijn eigen huidskleur niet en die van een ander ook niet. Het interesseert me ook niet. Ik ben meer geïnteresseerd in de acties van mensen (waarom doen ze wat ze doen?) dan hun etnische voorkomen. Alhoewel ik laatst een hele witte Zweed zag. Daar moest ik wel even aan wennen.

Mijn leraren vroeger dachten dat mijn eigenaardige gedrag voortkwam uit het feit dat ik bruin ben. “Gedraag jij je zo, omdat je een… Laat ik zeggen… Een andere huidskleur heb dan de andere kinderen?”, vroeg mijn mentor een keer. “Nee want die andere bruine kinderen in de klas doen toch wel normaal?”, antwoordde ik. Laten we het trouwens maar een andere keer hebben over dit pedagogisch onverantwoorde gesprek. Toch wist ik als kind ook niet erg goed waar ik thuis hoorde. Natuurlijk merkte ik van jongs af aan al dat ik ‘anders’ was en dat dit niet kwam door mijn donkere huidskleur. Nu zijn mijn roots ook te ingewikkeld om te zeggen dat ik daar een minderwaardigheidscomplex over had. Want met mijn Indisch Armeense, Indisch Joodse, Surinaamse en Nederlandse roots vind ik het lastig om mijn afkomst te bepalen. Of om mensen uit te leggen hoe het nou precies zit als ze vragen waar ik vandaan kom. Want dan komt altijd de prangende vraag: “En bij welke nationaliteit voel jij het meest thuis?”. Euhm nou… geen idee! Want wat vind ik nou eigenlijk van mijn roots? Nooit over nagedacht tot deze zomer.

Van mijn moeders kant heb ik Indisch Armeens Joodse roots. “Hoe kan dat dan?”, lachen mensen dom. “Nou euh, heb je Geschiedenis gehad?”, vraag ik dan. Vaak hebben ze dan niet opgelet. Dat komt dus dat Indonesië vroeger een kolonie van Nederland was en daar veel handel werd gedreven, ook door Armeniërs. Nou, mijn voorouders zijn dus blijven hangen daar. En omdat Indonesië een kolonie was van Nederland zijn mijn Joodse voorouders vanuit Nederland daarheen verhuisd. Van mijn vaders kant heb ik Surinaams (creools) en Nederlandse roots. “Hoe dan?”, vragen ze dan. “Nou euh, heb je Geschiedenis gehad?” Omdat Suriname ook een kolonie was van Nederland. Er was een Nederlander daar die een relatie begon met mijn Surinaamse oma. “Aah oke, en hoe hebben je ouders elkaar ontmoet dan?”, vragen ze dan. Gewoon in Nederland.

Ik denk wel eens na of ik mij thuis voel ergens. Zo dacht ik altijd mezelf compleet Indisch te voelen, maar als ik rondstruin op de Pasar Malam voel ik me niet thuis. In Indonesië ook niet. Ik herken me te weinig in de mensen, ondanks dat ik ben opgegroeid met de cultuur. Met de Surinaamse cultuur heb ik ook niks. Te veel prikkels ook; dat geschreeuw en die harde muziek. Ik word daar altijd een beetje naar van. Als mensen vragen of ik Surinaams ben reageer ik ook altijd een beetje verward. Met de Armeense heb ik ook weinig. Zo wist ik lange tijd niks van de genocide en sprak ik ooit wat Armenen maar ik voelde geen connectie. Zelfs met Kim Kardashian niet. Dus bedacht ik mij dat ik me gewoon niks voelde. Ook geen Nederlander, ondanks dat ik kwart Nederlands ben. Gewoon een wereldburger en waarom zou ik me ook moeten identificeren met een bevolkingsgroep? Of zoals één van mijn Joods Indische voorouders zei (volgens mijn stamboom site die een verre neef heeft gemaakt): “Ik ben uit de lucht gevallen”.

Totdat ik naar Israël ging. Zodra mijn voet de Israëlische bodem raakte voelde ik mij verbonden. Op een avond besprak ik mijn roots met een groep Joodse Amerikanen die mij ongelooflijk Joods vonden overkomen. Verwonderlijk vroeg ik waarom. “Je denkt veel. Je bent intelligent. De meeste Nobelprijzen zijn gewonnen door Joden. Albert Einstein, Karl Marx en Sigmund Freud waren Joods”, zei er één. Een beetje lacherig antwoordde ik dat ik een vrij hoog IQ heb, maar dat ik niet geloof dat IQ verbonden is aan een bevolkingsgroep. Toch liet ik het idee niet los. Niet zo zeer omdat ik denk dat Joden heel slim zijn, maar omdat ik nog steeds aan het zoeken ben van wie ik mijn hoogbegaafdheid te danken heb. Ik heb het geërfd van mijn moeder, omdat intelligentie door moeders wordt overgedragen. Daarnaast komen er in mijn moeders kant van de familie veel intelligente mensen voor en is mijn moeder ook aardig slim. Toch hebben mijn moeder en ik twijfels of haar moeder, mijn oma (met Indisch Armeense roots), hoogbegaafd/ erg slim was. Mijn Indische Joodse opa heb ik altijd uitgesloten in mijn onderzoek naar mijn hoogbegaafde roots. Ook omdat ik hem nooit heb gekend. Binnenkort ga ik eens speuren in zijn verleden en roots met de hoop wat te vinden. Want ik wil nog steeds weten waarom ik ben zoals ik ben. Wellicht vind ik het antwoord in mijn Joodse roots.

De zomerstop die ik nooit aankondigde

De zomerstop die ik nooit aankondigde

En toen was het effe stil… Één van de laatste keren dat ik wat schreef mompelde ik iets over hooikoorts (die trouwens ook echt heftig was!) en dat ik daardoor geen puf meer had om nog wat te schrijven. En toen ging de hooikoorts voorbij en was het ook stil. En op een gegeven moment vergat ik ook een beetje dat ik een blog had. En toen bedacht ik me dat ik hem ook kan verwijderen, want ja ik kan mijn eigen afspraken ook niet echt nakomen. Lekker betrouwbaar! En had ik ook niet een beetje een writersblock? Of zou ik mijn zomerstop lekker lang uitrekken en dan een soort comeback maken? Hoe langer ik erover nadacht, hoe lastiger het werd om zomaar terug te komen. Dus met trillende handjes en twijfelende gedachtes logde ik in. En toen zag ik dat ik gewoon bezoekers had tijdens mijn afwezigheid, wtf! Dus hier ben ik dan maar weer. Nog steeds dezelfde, maar dan met meer avonturen.

Nou ja, avonturen is een groot woord. Dan lijkt het net of ik echt gave dingen beleef, maar meer dan de helft van de tijd ben ik mijn leven aan het overdenken en word daarmee met de dag anti-socialer. Wat er in de tussentijd is gebeurd: ik nam mijn eerste xtc-pil, ik raakte depressief, ik ging in mijn eentje op vakantie naar Israel, ik ging een crush ontmoeten in Israel en er ging weer veel mis, ik schreef me in voor een opleiding Redactie, ik stopte abrupt met de pil, ik zette mijn CV online en werd overspoeld met baan aanbiedingen die ik niet leuk vind en raakte van dit alles nogal in de stress. En dat is wat ik de laatste tijd ook veel doe: stressen en het overdenken van dingen. Maar dat kunnen we ook wijten aan het Nederlandse weer. Daardoor zit ik veel op de bank in m’n eentje en als ik naar buiten ga weet ik ook niet wat ik aan moet trekken. En nu heb ik kou gevat…

Naast dit alles ben ik ook weer in mijn Hoogbegaafdheid Ontkenningsfase. Dat heb ik eens in de zoveel tijd. Dat houdt in dat ik op een dag opsta, in de spiegel kijk en denk: “Ik hoogbegaafd? Ach, welnee! Muhahahaha, oh jij komische trut”. De rest van de dagen pas ik mezelf aan aan de rest van de wereld en onderdruk ik mezelf. Ook al heb ik mijn coach beloofd dit nooit meer te doen… Ik denk dat het een overlevingsstrategie is. Want uiteindelijk willen we allemaal ergens bijhoren en vooral niet buiten de groep vallen. Dus toen ik een verhaal hoorde van een moeder wiens zoon van acht zo slim is dat hij al op groep acht niveau opereert, snoof ik m’n neus op en trok wat vreemd met mijn wenkbrauw. En toen ik op Facebook een klacht van een moeder las, wiens kind duidelijk hoogbegaafd was (volgens haar) maar dat niet toonde op de IQ-test. Waardoor het kind niet naar de versnellingsklas mocht en daardoor gedoemd was om de rest van haar leven zwaar onder haar niveau te werken, knipperde ik tien keer met m’n ogen. Ach, die hoogbegaafde kinderen toch. Die willen toch alleen maar versnellen. En daarom ben ik dus niet hoogbegaafd met mijn studie ontwijkend gedrag. Als iemand mij vraagt iets extra’s te doen, krijg ik al de kriebels. Zo zat ik als kind niet in de plusklas rekenen, want ik wilde liever “iets voor mezelf doen” als ik mijn werk af had. En toen mijn baas vroeg of ik mijn werk niet wil verrijken met extra taken naar keuze, lachte ik mysterieus terug. Want waarom zou ik mezelf kwellen met dingen die me niet boeien? Ik ben niet echt masochistisch aangelegd, weet je.

En nu zit ik, hartje zomer wat in de realiteit meer voelt als een lange herfstdag, op de bank naar slechte series te kijken. Wetende dat ik nog steeds geen idee heb wie ik ben en of ik nu wel of niet weer naar hoogbegaafden lotgenotenavond moet? “Kom op Stees, je bent beter dan dat”, fluister ik mezelf toe. Maar eerlijk, ben ik helemaal niet beter. Het lijkt soms of iedereen om mij heen precies weet wat ie wil. Goede banen, verloofd, getrouwd, kinderen, koophuis… Misschien moet ik een keer van Facebook af zodat zulke berichten me ook niet kunnen kwellen. Anyway first things first, ik ga jullie de komende blogs lastig vallen met de dingen die zijn gebeurd toen ik even stopte met bloggen. Zodat ik zelf ook weer alles op een rijtje kan krijgen. Laat ik dan maar beginnen met één blog per week op dinsdag om twee uur in de middag. Altijd beginnen met kleine stapjes. Wat ik trouwens ook erg moeilijk vind, want als ik iets leuks vind geef ik 160% en vervolgens helemaal niks.  Maar goed, bij deze… Zie jullie volgende week dinsdag weer om 14:00 uur met een nieuwe blog!

De vriezer van mijn moeder #tbt

De vriezer van mijn moeder #tbt

Als er vroeger een vriendje of vriendinnetje spontaan bij mij bleef eten na een middagje spelen, bakte mijn moeder standaard patat. Dan mocht ik met het vriendje of vriendinnetje aan een aparte tafel zitten en zoveel mogelijk patat eten als we wilden. Terwijl mijn moeder het kind, dat te gast, was zorgvuldig in zich opnam. Iets wat ze nu nog steeds doet (“Ik weet het niet Stees, het is een apart meisje. Let op mijn woorden, die studie van haar wordt niks. Je weet dat ik altijd gelijk heb”). Maar toen ik jonger was zei ze gewoon dingen waar dat vriendje bij was. Zo was er een keer een kind op bezoek die mijn moeder vroeg om appelmoes, maar die hadden we niet meer in huis. “Oh, dan blaas ik mijn patatjes wel koud”, zei dat kind. “Wat apart!”, riep mijn moeder. Maar goed, het was altijd feest op zulke momenten want we kregen na de patat altijd ijs. Mijn moeder was vroeger lid van het IJspaleis. Zo’n rijdende diepvries die bij ons aan de deur kwam. Via een bestellijst bestelde mijn moeder allerlei diepvriesproducten, waaronder dus ijs. En die mochten wij uitzoeken. Dus hadden we altijd van die clowns ijs liggen met zo’n knoertharde kauwgomballen neus (deze). En dat vonden mijn vriendjes dan weer helemaal fantastisch enzo, terwijl ik dan nonchalant op de kauwgombal kauwde en zei: “Oh, die hebben we altijd”.

Als ik spontaan bij een vriendje of vriendinnetje bleef eten, was het nooit zoals thuis. Ik was op mijn zevende een keer drie dagen wezen logeren bij een vriendinnetje die was verhuisd naar een boerderij in de Achterhoek. En daar aten we wat de pot schaft. “Hoeveel aardappels eet jij?”, vroeg die moeder de eerste dag. Ja, weet ik veel. Al die aardappels zijn verschillend van grootte. “Eh, twee?”, zei ik maar. Maar ik wist niet dat ik  drie dagen lang van die twee enorme aardappels op mijn bord kreeg. “Oh, dat is een beetje veel”, zei ik zacht de eerste avond. “Jij zei dat je er twee eet, dus je eet die twee ook op”, zei die vader streng. Het was gewoon eigenlijk te veel, vooral voor iemand die geen Hollandse kost is gewend. Hallo allochtoon! Mijn moeder zei altijd tegen mijn vriendjes: “Als je het niet opkrijgt laat je het maar gewoon staan”. Maar in dit gezin bestond deze zin niet. Dus wachtte iedereen totdat ik mijn bord leeg at, want anders werd het toetje niet opgediend. Overigens was het ook zo dat ik geen toetje zou krijgen als ik mijn bord niet leeg at. Ik moest drie dagen toekijken hoe de rest hun vla op at. Soms pakte die vader er een krant bij en moest ik het op hebben voordat hij die krant uit had. Ik voelde me iedere avond diep ongelukkig. Sowieso was die hele logeerpartij een drama. De vriendschap was daarna flink bekoeld aan mijn zijde en ik heb haar daarna nooit meer gesproken. Oh, ik heb haar net effe gegoogled en ze is nu een super succesvolle onderzoeker en weinig veranderd. Hopelijk heeft ze mij nooit gegoogled…

Anyway, sindsdien vond ik het altijd een beetje spannend als ik spontaan bij iemand mag eten. Zo kondigde de moeder van een vriendinnetje een keer aan dat ik gerust mocht blijven eten en dat de preitaart in de oven stond. Mijn vriendinnetje was door het dolle heen en reikte mij alvast de telefoon aan, zodat ik mijn moeder om toestemming kon vragen. “Prei-taart…, mompelde ik, Prei, dat is toch groente?”. Ja, ik was vroeger niet zo’n fan van groente. Het vriendinnetje gilde hoe lekker het was, en dat het een soort hartige taart was met kaas. Ik lustte ook geen kaas vroeger. Maar ik durfde ook geen nee te zeggen, dus bleef ik maar eten daar. Gelukkig deden ze daar niet moeilijk als je je bord niet leeg at. Alleen de vader at zijn bord leeg. Waar ik vooral aan moest wennen was de Familie Bijbel die de vader te voorschijn toverde. Hij las een tekst eruit terwijl de hele familie in een soort eerbiedige houding naar beneden keek. De vader vroeg aan mijn vriendinnetje wat zij kon halen uit de tekst. “Vooral dat je je naasten lief moet hebben, en elkaar moet vergeven”, zei ze overtuigend. Ik raakte in paniek. Want ik had natuurlijk weer niet opgelet. Uiteraard kreeg ik ook een beurt. “Ik sluit me bij haar aan”, zei ik maar. En daar kwam ik weer goed vanaf.

Dus werd mijn strategie om eerst uit te vogelen wat mijn vriendjes die avond zouden eten, dus mocht ik dan uitgenodigd worden dan was ik voorbereid:”Oh nee, ik heb met mijn moeder afgesproken dat ik thuis zou eten”. Wat eigenlijk nooit waar was. Mijn moeder zette standaard om vijf uur het eten op tafel en wie wilde eten kon eten. En als ik zei dat ik een uur later zou eten was het ook goed. Of als ik zei dat ik naar de Mac ging, was dat ook goed. Of ik zei dat ik het eten niet lust, dan lag er altijd wel wat anders in de vriezer. Dat gold ook als ik bij iemand anders ging eten en ik na afloop nog honger had. Soms bakte mijn moeder dan gewoon patat voor me. Dat was ook het geval toen ik als puber bij een vriendinnetje zou eten. Ze aten iedere woensdag patat, dus viel ik met mijn neus in de boter. Tenminste, dat dacht ik. “Nou we dachten Stacey komt mee eten en die is rijst gewend. Dus eten we vanavond een Afrikaanse rijstschotel”, zei die moeder enthousiast toen ik binnen kwam. Shit! En nu aten we vaak rijst thuis, maar dat vonden mijn zusje en ik niet lekker dus aten mijn zusje en ik altijd andere dingen uit de vriezer. Ik moet echt een boek schrijven: “De vriezer van mijn moeder”. Maar goed, in die rijstschotel zaten ook kerrie en rozijnen. En ik lust geen rozijnen. Dus at ik het met veel moeite weg, terwijl het gezin gilde dat dit het lekkerste eten ooit was. Toen ik het bijna op had wilde het broertje nog een bord. “Nee, het laatste beetje is voor de gast!”, riep die vader. “Oh nee, ik zit vol”, riep ik snel. Maar daar wilde hij niks van weten en gooide mijn bord vol.

Ik was super boos. Ik had met een hoog tempo net mijn bord leeg en nu moest ik weer. Maar gelukkig kon ik nu zeggen dat het nu wel een beetje veel was. Dus het broertje at de helft van mijn bord leeg, waar ik hem zeer dankbaar voor was. Toen ik thuiskwam zag ik dat mijn familie die avond patat had gegeten. Ik vertelde mijn eet teleurstelling en mijn moeder raakte ook teleurgesteld. Snel zette ze de frituur aan en bakte nog wat patat voor me. Want mijn moeder wilde altijd dat we goed eten en we mochten nooit met honger naar bed. En nog steeds ligt haar vriezer vol als ik langs kom. “Voor het geval als je honger hebt”, zegt ze dan.

 

Waarom er even geen blog is #hooikoorts

Waarom er even geen blog is #hooikoorts

Houd rekening met het lezen van deze blog dat ik strak sta van de hooikoorts medicatie

Ja, er stond dus niks online afgelopen vrijdag en aanstaande dinsdag dus ook niks. Ik ben namelijk letterlijk ziek door de hooikoorts. Zo stond ik vanochtend op met een ontstoken oog en opgezette keelklieren. Terwijl ik compleet uitgeput mijn oog stond schoon te maken koste het me veel moeite om niet cranky te reageren op mijn vrienden die mij vrolijk begonnen te appen. Want dat is mijn overall mood sinds dagen: cranky.  Ik ben zo uitgeput van de hooikoorts dat de kleinste irritatie momenten mij compleet van slag kunnen brengen. Zo was ik gisteravond in de bioscoop en achter mij lachte er zo’n vrouw om dingen die niet echt grappig waren. Bijvoorbeeld wanneer de hoofdpersoon viel, zeg maar. Oké, het was een komedie maar lachen om iemand die valt doen we gewoon niet meer sinds onze kleuterperiode. Althans dat vind ik. Zij vond het grappig, blijkbaar. En iedere keer dat ze lachte, werd ik super boos. Ik kon er niet meer tegen en keek een paar keer geïrriteerd achterom. Niet dat dat werkte, want het is gewoon donker in de bioscoop. Maar ik werd er gewoon enorm geïrriteerd van.

Net zoals de rest van de dagen. Ik was niet te genieten op mijn werk. Op mijn werk hebben we vloerbedekking (hoe achterhaald) en, ondanks de airco, vinden mijn collega’s het nodig om ramen open te zetten. En dat vind ik gewoon super dom. Want als het binnen aanvoelt als 26 graden, heeft het geen zin om warme lucht van 33 graden naar binnen te laten. Maar dat is nog niet het ergste. Het ergste is dat de pollen mee naar binnen komen en lekker in het vloerbedekking gaan zitten. Waardoor ik de ene hooikoorts aanval na de andere krijg. “Oh Stacey, je ogen zijn helemaal rood. Heb je last van hooikoorts?”, vroeg een collega. “Goed gezien Sandra, als jij die ramen niet had geopend had ik nergens last van gehad!”, aldus cranky Stacey. Dus deed Sandra snel de ramen dicht en riep ik: “Nu is het al te laat. Laat maar!”. En dat ging de hele week zo door, zeg maar. “Stacey ik wil graag nu het nieuwe systeem aan je uitleggen”, zei een andere collega. “Nu?!”, zei ik cranky. “Ja nu, want ik heb alles al klaar staan en Mick kan ook nu”, zei ze half geschrokken. “Linda, mijn medicijnen beginnen net te werken. Ik voel me moe, uitgeput en heb een concentratie van een visstick. Maar goed… als jij het wil..”, maar ik bedoelde het echt niet zo. En Mick bleek ook hooikoorts te hebben en strak te staan van de medicijnen. Dus zaten we allebei half stoned bij de presentatie en hadden we niks opgepikt. Ik kreeg medelijden met Linda.

Want dat is wat hooikoorts doet; je uitgeput maken. Voor de mensen die niet weten wat het is: het voelt als een koorts. Letterlijk, want je voelt rillingen en je neus loopt vol. Daarnaast branden je ogen je hoofd uit of ze jeuken als hel. Voor mijn flat staat een boom waar ik super allergisch voor ben. Zodra ik daar in de buurt ben lijkt het net alsof er een klein naaldje in mijn oog valt. En dat prikt! En zodra ik in mijn ogen begin te wrijven dan beginnen ze te jeuken. Wrijven voelt dan heel aangenaam. Met als gevolg dat de jeuk erger wordt en mijn ogen rood worden. Daarnaast heb ik continu een kriebel in m’n neus. Als ik even mijn neus aanraak, vanwege die kriebel, heb ik een non stop niesbui. Nu heb ik wel medicijnen, die wel helpen maar niet heel erg. Ze hebben wel erge bijwerkingen, zoals vermoeidheid en verandering van smaak. Ik heb ineens zin in hele zoete dingen, terwijl ik normaal meer van de zoute snacks ben. Bij een gewone koorts voel je je iedere dag weer een stukje beter, en je voelt op een gegeven moment dat het einde inzicht is. Bij hooikoorts niet. Je voelt je iedere dag niet beter. En naast de bijwerkingen van de medicijnen is dat slopend.

Ik ben zo moe! Als ik geen wekker zet slaap ik zo ruim twaalf uur. Soms zit ik op de bank en de gedachte om te douchen voelt alleen al als een zware opgave. Bij het douchen maak je ook de pollen los die op je huid en haar zitten en dus krijg ik nog een aanval in de cabine. En ik wil de hele tijd wel leuke dingen doen met vrienden, maar ik weet niet waar ik de energie vandaan moet halen. Zo ging ik laatst borrelen met vrienden na werktijd, maar ik was als eerste naar huis. Compleet uitgeput sleepte ik mezelf naar de bank. Viel in slaap en werd rond half twaalf ’s avonds wakker. En toen sleepte ik mezelf naar de douche en daarna naar bed en sliep ik weer het klokje rond.

En ik ben er klaar mee! Het is kwart voor één in de middag wanneer ik dit typ, en ik ben pas twee uur wakker. En ik ben moe. Ik moet ff langs de supermarkt. Maar ik ben zo moe. En ik wil niet weer op de bank slapen. Het is verdomme Tweede Pinksterdag! Dus daarom zijn er nu even geen blogs totdat de pollen uit de lucht zijn en de kwaliteit van mijn leven dusdanig is verbeterd.

 

Waarom ik geen Methylfenidaat meer neem #tbt

Waarom ik geen Methylfenidaat meer neem #tbt

“Slik je nog Methylfenidaat?”, vroeg de psychiater. “Nee, het werkt niet”, antwoord ik. “Oké, want je slikt nu drie pilletjes per dag. Wanneer heb je hem vandaag voor het laatst genomen?”, vroeg ze terwijl ze nog steeds niet op keek van haar map. Ik mocht haar sowieso al niet. Ik weet niet precies wat het was, misschien omdat ze op Miranda Priestly  van The Devil Wears Prada leek of omdat ze verscheidene publicaties over ADHD op haar naam had staan. Ze had iets arrogants over zich heen. Zo liet ze me de eerste dag een half uur in de wachtkamer zitten, omdat ze dacht dat ik niet Stacey Met-Een-Zeer-Nederlandse-Achternaam kon zijn. Ik klaagde bij de receptie dat het zo lang duurde en zij klaagde bij de receptie dat Stacey wel had mogen af bellen. En toen keken we elkaar aan en wist ik dat die vervelende, geïrriteerde vrouw die ik al een tijdje aan het observeren was, mijn arts zou zijn. Ze keek me verbaasd aan. “Jij bent zeker niet Stacey Met-De-Nederlandse-Achternaam”, zei ze ongeïnteresseerd. “Toevallig wel”, antwoordde ik. Ze nam mij zorgvuldig in zich op. “Tja, dat zou ook wel de lage BMI verklaren met zo’n achtergrond”, mompelde ze. De receptioniste kirde nog dat dit een match was en wenste mij veel succes. Ik had bijna gezegd dat ik dat wel nodig had.

Eenmaal in haar kantoortje had ze het steeds over diabetes en hart- en vaatziekten. Want dat zou vaker voorkomen bij mensen met mijn achtergrond. Ze mat me op en woog me. “Je hebt gewoon ADHD en ik schrijf een recept uit voor Methylfenidaat”, zei ze zonder dat er verder nog iets van onderzoek aan te pas kwam. Even later stond ik buiten met het recept en besloot het dan maar meteen op te halen, zodat ik er meteen aan de slag mee kon gaan. Op dat moment was ik nog in de volle overtuiging dat al mijn levensproblemen te wijten waren aan ADHD. Dus als er een pilletje bestaat die mij zou kunnen helpen daarmee, dan was ik sowieso een gelukkig mens. En wat voelde ik me gelukkig toen ik een doosje meekreeg van de apotheek! Het idee dat ik nu een oplossing had voor mijn vreemde gedrag. Dag saaie Stacey, hallo spontane Stacey! Want dat was ook een beetje de conclusie van de psycholoog. Doordat ik zoveel in mijn hoofd zat onderdrukte ik mijn ware ik. En mijn zogenaamde ware ik was een drukke ADHD-er die geen saaie momenten kende. Daar kon ik mij goed in vinden.

De volgende ochtend ging mijn ex naar zijn werk. “Dus als ik terug kom dan heb ik een andere Stacey voor me. Een spontane Stacey”, zei hij lachend. En ik lachte mee, want ik had het idee dat dingen nu anders gingen worden. Dat ik nu eindelijk de vriendin werd waar hij op hoopte. Ééntje die hij mee kon nemen naar feestjes, ééntje die lekker slap kan ouwehoeren op feestjes, ééntje die niet zoveel nadacht. Ik besloot om mijn allereerste pilletje om negen uur ’s ochtends te nemen en dan gewoon te gaan wachten totdat hij begint te werken. Ondertussen las ik nog wat ervaringsverhalen door. Mensen gaven aan dat ze de wereld beter zagen met Methylfinidaat, dat ze een leger hoofd kregen en dat ze toe kwamen aan het voltooien van taken. Het huishouden bijvoorbeeld. Wat leek me dat gaaf om dat gewoon te kunnen doen. In één keer zeg maar, en niet onderbroken worden door dingen die je tijdens het opruimen vindt, of dat je ineens het nut niet meer ziet van schoonmaken en er daarom maar mee kapt.
Mijn verwachtingen waren zo hoog van dat medicijn, dat ik een soort van teleurgesteld raakte toen ik niks merkte. Ik zag geen verschil, ik voelde geen verschil en in mijn hoofd was ik nog steeds druk met denken. Ik appte een studiegenootje die al geruime ervaring met dit medicijn had. Ze gaf aan dat mijn lichaam moest wennen en dat ik gauw verandering zou zien.

Ik hield me daar maar aan vast. Vooral toen mijn ex teleurgesteld thuis kwam: “Je bent eigenlijk nog steeds dezelfde”. ’s Avonds gingen we naar zijn ouders waar ik een preek kreeg over de gevaren van Methylfenidaat. Dat ik een drugsverslaafde zou worden en daardoor niet in staat zou zijn om later eventuele kinderen te kunnen opvoeden. Ze lieten namelijk vaak graag doorschemeren dat ze grootouders wilden worden. Geen idee of hun wens nu onderhand wel in vervulling is gegaan. Ze zeiden dat ik door het medicijn langzaam krankzinnig zou worden, want dat was ook gebeurd met een broer van een aangetrouwde tante. Ik moest huilen. Ik wist niet waarom. Misschien omdat ik zelf teleurgesteld was dat het niet werkte, misschien omdat ik ergens wist dat dit het laatste redmiddel tussen mij en mijn ex was, misschien omdat ik mij aangevallen voelde door zijn ouders of misschien werd ik toch bijna ongesteld. Ik wist het niet meer. Toch slikte ik het nog ongeveer drie maanden lang, maar het voelde met de dag nuttelozer. Dus besloot ik op een ochtend om er maar mee te stoppen. Een paar dagen later vroeg ik mijn ex of hij die week verschil aan mij merkte. Hij zei van niet en de rest van de omgeving merkte ook niks raars aan me. Toen kwam ik tot de conclusie dat het niet werkte voor mij.

En dat zei ik ook tegen Miranda Priestly de psychiater. Ze begon half te schreeuwen dat ik nooit zomaar mocht stoppen met het medicijn. De kans op afkickverschijnselen was groot. Ik had het met haar moeten overleggen en dan zouden we gaan afbouwen. “Nou ja, ik stopte en ik kreeg nergens last van. Ook geen afkickverschijnselen”, zeg ik onverschillig. Oké, ik geef toe dat ik wel even bang was voor wat ik had gedaan. Het had misschien wel heel verkeerd kunnen aflopen. “Ik twijfel ook een beetje aan mijn ADHD- diagnose”, mompel ik. “Nou nee, ADHD heb je gewoon, zei ze, en je hoort ook gewoon je medicijnen te slikken. Je gaf aan dat het niet werkte he? Dat kan ook aan de dosering liggen. Ik verhoog de dosering maximaal. Vanaf nu mag je zes pilletjes op een dag”. Zes? Hier schrok ik van. Is dat niet een beetje te veel van het goede? Ze schreef meteen een recept uit.

Mijn ex was het niet eens met de hoge dosering die ik nu mocht nemen. Zijn ouders waren nu helemaal in alle staten en zagen dit als het bewijs voor hun theorieën. Maar toch zei een stemmetje in mijn hoofd: “Maar wat als…”. Dus besloot ik, zonder daar iemand over in te lichten, zes pilletjes te nemen in een prikkelgevoelige omgeving, namelijk de dierentuin. Nu ben ik niet zo een dierentuin fan. Te veel prikkels: te veel geuren, te veel mensen, te veel kinderen, de verschillende thema’s in het park waar ik rekening mee moet houden (Oh nu lopen we door een nagebootste dessert met losvliegende exotische vogels), en dan het ergste… Ik zie overal dierenleed. Is die kooi wel ruim genoeg? Is die ijsbeer nou echt gelukkig? Oké, ik dwaal wat af maar mij maak je gewoon niet blij met een bezoekje aan de dierentuin. En toch ging ik er weer heen en hoopte dat ik met die zes pilletjes gewoon ontspannen kon rondlopen en genieten van de wilde dieren. Ik merkte niks. Mijn gezelschap vond mijn pessimisme niet anders dan normaal. Ik was klaar met Methylfenidaat en ADHD. Maar wat was er dan met mij aan de hand?

 

Mijn voordeur sociale vaardigheden #13

Mijn voordeur sociale vaardigheden #13

“Mevrouw, heeft u nog wat over voor de kankerbestrijding?”, vraagt een jonge gast terwijl hij met een collectebus voor de deur staat. “Ja sorry, maar ik wilde net gaan douchen”, zeg ik geïrriteerd terwijl ik in mijn badjas sta. “Ah kom op, het is de kankerbestrijding”, zegt hij nonchalant. “Ik wil niet vervelend zijn, maar ik ben speciaal de douche uitgekomen om de deur open te doen. Want ik dacht dat het mijn buurman was die eindelijk zijn pakketje kwam ophalen”, zeg ik geïrriteerd. Hij kijkt me geamuseerd aan. “Ah toe, voor de kankerbestrijding. Je buurman heeft ook al gedoneerd”, zegt hij lachend. “Geef dan maar aan dat ik ook iets te doneren heb voor hem. Maar nee, ik heb niks over voor de kankerbestrijding”, antwoord ik iets minder geïrriteerd en sluit de deur. Ik haast me terug naar de douche en baal dat het weer niet de buurman was. Als aardige buurvrouw heb ik een paar weken geleden een pakketje in ontvangst genomen van de bezorger, omdat de buurman niet thuis was. Oké, ik geef toe ik had al een raar voorgevoel. Maar ik mag toch wel verwachten dat iemand binnen drie weken zijn pakketje komt ophalen? Hij is trouwens ook nooit thuis als ik aan de deur sta. Het gekke is dat ik, sinds ik het pakketje heb, rekening ga houden met eventuele momenten dat hij aan de deur zou kunnen staan. Zoiets als: “Zal ik nu douchen? Maar wat als hij over tien minuten voor de deur staat en ik hem dan mis? Nee laat ik maar tien minuten wachten”.

En dan gebeurt er tien minuten later nog niks en ga ik douchen en gaat de deurbel. Misschien sla ik wat door, maar er staat werkelijk nooit iemand bij mij aan de deur. Als er wordt gebeld, dan verwacht ik ook bezoek. Of het is de postbode, maar die staat dan bij de ingang beneden. Want een pakketje bezorgen aan de deur doen ze tegenwoordig ook al niet meer. “Mevrouw, u moet wel zelf naar beneden komen”, zeggen ze dan door de intercom. Echt dikke doei. En dan moet ik me nog haasten naar beneden omdat het vaak genoeg voorkomt dat ze gauw in hun busje springen en wegrijden. Terwijl de pakketjes nog op de stoep staan. Niet chill, als je pakketje ruim honderd euro waard is. Één keer gooiden ze het over het hek heen, omdat ze niet wilden wachten totdat ik de poort ging openmaken. Ik zei nog dat het een kleine moeite was om dat hekwerk te openen, maar hij had haast denk ik. Mijn moeder was furieus toen ze dat hoorde: “Je woont toch niet in een concentratiekamp?”. Dus laat ik het maar bezorgen bij een bezorgpunt om de hoek. Dat komt ook omdat ik vrijwel nooit thuis ben als de bezorger komt en een hekel heb aan wachten. En ik wil mijn buren ook niet belasten met mijn pakketje, maar andersom schijnen mijn buren daar weer schijt aan te hebben. Dus Wilmer, als je dit leest: ik wil van dat gele pakketje af!

Voedselbezorgers komen trouwens wel helemaal aan de deur mijn eten afleveren. Stiekem vind ik dat awkward. Ik bestel namelijk wel eens bij Foodora. Dan bestel je bij een aangesloten restaurant, dan haalt je Foodorabezorger het op bij het restaurant, en fietst het naar jou toe. Hij draagt dan zo’n vierkante rugzak met je eten erin. Het meest awkward vind ik het moment dat ze mijn voedsel uit die kubus gaan uitpakken. Dan sta ik er zo een beetje naast. De bezorger zit dan gehurkt op de grond om het uit te pakken. Als hij of zij het mij aangeeft dan weet ik ook niet wat ik moet doen. Want zij moeten namelijk die kubus weer opvouwen en op hun rug doen. Moet ik dan blijven wachten en kijken, en als ze dan gereed zijn pas afscheid nemen en de deur dicht doen? Ik doe nu gewoon mijn voedsel aannemen en dan een: “Bedankt en werk ze!”, zeggen, en de deur dicht. Maar dat voelt dus niet goed, want ik weet dat ze dan die kubus nog moeten vouwen voor een dichte deur. Ik vind dat toch wel iets raars en asociaals hebben. Aan de andere kant kan ik me voorstellen dat zo’n bezorger ook geen zin zou hebben als iemand staat te kijken terwijl zij bezig zijn. Als ik de bezorger was zou ik dichtklappen waardoor mijn kubus dan weer niet zou dichtklappen. Ik presteer nogal slecht als iemand mee kijkt.

En dan dus de andere mensen die onverwacht bij mij aan de deur staan, zijn de mensen die voor goede doelen werken. Ik vraag me ook altijd af wie ze in het appartementencomplex binnen laat? Of wellicht wonen ze er zelf. En ik word super geïrriteerd van die mensen. Ze staan altijd aan de deur als ik in mijn trainingspak op de bank lig een biertje te drinken. “Maar Stacey, je drinkt toch geen bier?”. Nee, alleen Belgisch bier. Of als ik naakt door mijn huis loop. Of in mijn pyjama met unicorns en katjes, die ik van de tienerafdeling van de H&M heb. En dan moet ik ze afwijzen terwijl ik niet achter mijn look sta. Het voelt gewoon allemaal niet goed, weet je.
Daarnaast staan er ook nooit buren aan de deur. Vandaar dus dat ik nog steeds het gele pakketje heb. Dus Wilmer, nogmaals als je dit leest, kom alsjeblieft je pakketje ophalen of ik maak hem open. Oh nee, dat mag niet. Dat is briefgeheim of zo. Anyway, ik bedenk me dat er wel eens iemand voor de deur stond. Het was mijn eerste verjaardag hier en ik probeerde een make up look. En ik dacht dat één van mijn vrienden me kwam verrassen. Dus deed ik open met een dramatisch opgemaakt hoofd en een bloemetjes pyjama. Een één of andere knappe hipster stond bij mij aan de deur. Not bad. Not bad at all. “Heb jij vannacht lopen te plassen op mijn balkon?”, vroeg hij boos. “Wat?”, vroeg ik terug. “Gisternacht heeft iemand van boven lopen te plassen op mijn balkon. En aangezien jij boven mij woont…”, zei hij. “En jij denkt dat ik met dit ding over mijn Frans balkon kan plassen en er dusdanig mee kan mikken, zodat het precies op jouw balkon terecht kan komen?”, zei ik sarcastisch terwijl ik naar mijn vagina wees. Hij schrok en werd wat rood. Hij zei dat hij het bij mijn buren ging proberen en was weg.

Ik zag hem later nog een paar keer in de flat. Volgens mij heeft hij een vriendin, maar ben er niet zeker van. Hij keek altijd weg als ik langskwam. Maar dat kan ik me voorstellen, omdat ik achteraf vond dat ik wel heel direct aan de deur was. Ik denk ook dat mijn voordeur sociale vaardigheden nogal roestig onderlegd zijn. Maar dat zou ook wel kunnen komen doordat ik praktisch geen ervaring heb met mensen die spontaan aan de deur staan. Even voelde ik een verbeterpuntje opkomen, maar ik bedacht me dat ik gewoon geen spontane vrouw ben. Sorry!

De toezichthouder #tbt

De toezichthouder #tbt

Het moment dat ik persoonlijk door de conciërge de aula werd geëscorteerd, voelde ik me best wel stoer. Mensen begonnen te klappen en mij aan te moedigen. Een aantal leerlingen volgden me zelfs mee richting het kantoor van de conciërge. Het was ook wel wat dat juist ik moest mee komen. Meestal als deze scenes voorbij kwamen, dan betrof het ook wel het tuig van de school. Die gasten die weigerden op stoelen te zitten, dus op de grond zaten of op de tafels. Of van die gasten die standaard prullenbakken omver trapten (nooit begrepen dit). Of van die gasten die blikjes en vieze boterhammen naar elkaar gooiden. En ik moet zeggen dat ik tot geen van de bovenstaande categorieën behoorde. Maar ik werd ook niet zomaar de aula uitgehaald. Het punt was dat ik al een tijdje het idee had dat één van de toezichthouders de pik op mij had. Ik kreeg van haar vaak de schuld van dingen die ik niet had gedaan. Dan liep ik bijvoorbeeld ergens en dan kwam zo’n een prullenbak omkegelen. Kreeg ik de schuld daarvan. Vaak was het zo onrechtvaardig dat medeleerlingen voor mij opkwamen en de dader zelf ook schuld bekende. Dat kwam zo vaak voor dat ik vaak tegen mij vriendinnen zei: “Ben benieuwd waar ik zo weer de schuld van krijg in de pauze”. Oké, ik kreeg niet altijd de schuld van dingen. Soms zat ze gewoon de hele pauze in een hoekje bozig naar me te loeren. Waar mijn vrienden en ik ons niet prettig bij voelden: “Wat kijk ze nou? Kan die bitch niet een keer de andere kant opkijken?”

Maar goed, wat ik had gedaan die dag. Ik zat een beetje te zitten in de aula en at mijn brood. Een groep meisjes voor ons was de hele pauze al luidruchtig. Toen ze de aula verlieten smeerden ze hun broodjes kaas over de tafel en gooiden daar boven cola. Compleet onnodig, maar dat doen pubers. Ik gooide mijn afval weg en moest langs die tafel. Opeens stond de enge toezichthoudster voor me en beval me mijn afval op te ruimen. “Eh, dat heb ik net gedaan”, lachte ik. Ze zei van niet en wees naar de vieze tafel. “Oh maar dat heb ik niet gedaan, dat waren die meisjes uit 4B”, zei ik. Ze blafte dat ik de troep die ik had gemaakt moest opruimen. “Maar dat is niet van mij. Ik eet geen boterhammen met kaas. Ik lust dat niet. Je kan mijn moeder bellen om dat na te gaan”, zei ik. “JIJ BENT ALTIJD BRUTAAL!”, schreeuwde ze en liep de aula uit. De hele aula was stil en keek mij aan. Ik vroeg mij nog af wanneer ik eerder zogenaamd brutaal was tegen haar, want dit was de eerste keer dat we meer dan drie zinnen met elkaar spraken. Zoiets als: “Ruim dat op!”. “Maar dat is niet van mij, maar van hem”. “Nee is van jou!”, riep ze dan. Random jongen: “Ja eh dat is inderdaad van mij. Ik ruim het wel op”. En dan keek ze me altijd aan van: “Kom je er mooi weer goed van af”. Of tenminste, ik denk dat ze zo keek.

Ik heb nooit begrepen waarom ze mij niet mocht, of waarom de Biologie docente mij niet mocht. Of die gast van 2A, of de meiden uit mijn klas, of een brugklasser die op de één of andere manier mijn naam wist. Op de middelbare school kwam ik erachter dat mensen zich kennelijk aan mij konden irriteren, zonder dat ik hen (bewust) in de weg zat. Achteraf gezien was ik gewoon anders. Ik deed altijd moeilijk en serieus. Ik lette niet op in de les, maar haalde wel goede cijfers. “Oh ik heb een vijf voor Frans, zei een klasgenoot een keer, maar vast niet zo rampzalig als Stacey want die wist nooit wat tijdens de lessen. Stacey wat heb jij?”. “Ik heb een negen”, zei ik kalm. Hij gooide een tafel om ver. Ik was rampzalig in gym; ik kon geen bal vangen en raakte snel overwhelmed door een spel als trefbal. Want je moet die ballen in de gaten houden, je moet vrij staan, die ballen vangen en die ballen zo gooien naar mensen dat ze geen pijn krijgen als de bal ze raken. Ze wilden me daarom op bijles gym. “Ik denk niet dat ik gym verder nog nodig heb in mijn carrière. Als ik later wil gaan sporten, dan zoek ik een sport uit die ik wel leuk vind. En dat is zeker geen trefbal”, aldus een puber Stacey. Ik vind het nog steeds een stom en gevaarlijk spel. Daarnaast had ik weinig vrienden, maar lag goed bij oudere jaars. Ik kwam op voor mensen die werden gepest en was daarnaast nooit onder de indruk van iets. Zelf dacht ik dat ik als een normale puber overkwam, maar nu ruim 12 jaar later begin zelfs ik daar over te twijfelen.

Toen ik het kantoortje van de conciërge had bereikt stond de halve aula voor de ramen om te kijken wat er gebeurde. “Jij volgt de regels niet op van de school!”, zei hij. “Welke regels?”, zei ik stoer. Hij haalde het bord met de schoolregels erbij. “Lees regel zes hardop voor!”, zei hij streng. “Iedereen ruimt zijn eigen rommel op”, las ik. “Ja! Goed zo! Iedereen ruimt zijn ei-gen rom-mel op”, zei hij op zo’n flauwe manier. “Ja, ben ik me eens. Ik vind ook dat de meisjes van 4B hun rommel moeten opruimen”, zei ik. En toen kwam er een discussie of het wel of niet mijn rommel was. Maar hij geloofde mij niet en dus dwong hij mij middenin de aula om de rommel op te ruimen. Ik weigerde. De aula joelde.
Een paar uur later werd ik uit de klas gehaald door de rector “vanwege een incident in de aula”. Het voorval werd besproken en de toezichthoudster had een dossier van mij aangelegd. Jeetje, waar haalde ze die tijd vandaan? Geen wonder dat er wat mankeerde aan haar oplettendheid. Het dossier eindigde dat ik altijd heel erg brutaal ben. En ik moest daarvan lachen, maar dat konden ook de zenuwen zijn. De rector was not amused en stuurde mij naar de aula, terwijl hij mijn moeder ging bellen.

Dat gesprek ging ongeveer zo. “Ik bel u omdat Stacey haar troep niet wil opruimen in de aula”. “Oh daar zou ze vast wel een reden voor hebben, Stacey kennende”, zei m’n moeder. “Ja, ze maakt het werk van de toezichthoudster al maanden tot een hel. Zo smeerde ze vandaag haar broodjes kaas over de tafel en gooide daar cola op. Ze weigerde dat op te ruimen”. “En terecht, want dat heeft Stacey niet gedaan. Stacey eet geen kaas en drinkt Wickey Aardbei bij haar lunch. Die toezichthouder was zeker mevrouw Halsma. Die heeft de pik op Stacey. Beter kijk jij of je personeel wel goed zijn werk doet, voordat je me hiervoor belt”. De rector kwam daarna de aula binnen en ging naast mij zitten. Hij gaf aan met mijn moeder te hebben gepraat en de andere toezichthouders. De andere toezichthouders gaven aan nooit problemen met mij te hebben. Hij bood zijn excuses aan. Een paar dagen later werd mevrouw Halsma overgeplaatst naar een andere locatie. Mijn moeder heeft de rector teruggebeld en bedankt voor zijn optreden.

Ik kwam de toezichthouder nog een keer tegen in het gemeentehuis met mijn vader. Ik was de folders aan het checken (deed ik altijd als ik bij een instantie kwam) en ik zag mijn vader ineens praten met mevrouw Halsma. Toen het gesprek voorbij was liep ik snel naar hem toe. “Pa, dat was mevrouw Halsma!”, fluisterde ik. “Oh, ik ga haar nu boos aankijken”, zei hij. Hij keek haar zo boos aan dat mevrouw Halsma zo schrok van hem en mij, dat ze gauw het gemeentehuis uitliep.