Hoe perfectionisme mijn leven beheerst

Hoe perfectionisme mijn leven beheerst

In de zeroes was ik een puber. En toen kregen we wel eens random sollicitatietraining. Dat was nog voor de crisis, dus toen kregen we nog tips waar we later niks aan zouden hebben. Met later bedoel ik ‘de crisis’. Het moment dat mijn generatie zou (af)studeren en daarna de arbeidsmarkt op moest. We leerden hoe we sollicitatiebrieven moesten schrijven in een stijl waarbij we, een kleine vijf jaar later, keihard om werden afgewezen. “In het AD zag ik uw advertentie…”, blablabla… Sowieso had je er niks aan omdat er, een kleine vijf jaar later, vrijwel geen vacatures meer in de krant te vinden waren. Daarnaast leerden we ook wat je moest zeggen tijdens een sollicitatiegesprek. Zo moest je je talenten op een bescheiden manier belichten. Zo van: “Ik kan goed samenwerken” punt. Een kleine vijf jaar later bleek dat dit niet zo goed was. Je moest zeggen: “Ik kan goed samenwerken. Dit heb ik laten zien tijden het project X, waarbij ik een platform heb gemaakt om mijn teamleden bij elkaar te brengen en ze te enthousiasmeren om meer leden toe te voegen. Het resultaat was een mooie bijeenkomst in Haren”. En ons werd geleerd om je zwakke punten niet echt zwak te laten lijken. Dus je moest altijd zeggen: “Ik ben perfectionistisch”. Want dat zou de werkgever alleen maar goed vinden.

Nu zeggen mensen heel snel dat ze perfectionistisch zijn. Ik hoor namelijk best vaak mensen dit over zichzelf zeggen. Het is ook lekker veilig, want iedereen wilt wel eens iets perfects doen. Oké, nu ik dit typ besef ik hoe vaak mensen van die loze uitspraken doen. Zo hoorde ik laatst een chick zeggen dat ze een fotografisch geheugen voor muziek heeft. Daarmee bedoelde ze niet zoiets als een muzikaal gehoor, maar meer dat ze de songteksten goed onthoud. Ik besloot om nog een slok van mijn wijn te nemen en stilzwijgend uit de situatie te stappen. Maar goed, ik dwaal af. Wat ik bedoel is dus dat vrijwel de meeste mensen zichzelf perfectionistisch vinden, zonder dat ze precies weten wat het inhoudt.
Één van de kenmerken van hoogbegaafdheid is perfectionisme en ik ga proberen uiteen te zetten hoe perfectionisme mijn leven zo nu en dan beheerst.

Ieder weekend doe ik de was. De was moet op een bepaalde manier. Ik begin met de handdoeken-, theedoeken- en ondergoedwas op 60 graden. Ondergoed moet ik per se op 60 graden hebben en in een andere 60 graden was past het niet (ik doe het jullie niet aan om uit te leggen waarom niet). Daarna komt de witte 60 graden was, dan de 30 graden kledingwas en tot slot de 60 graden dekbed- en lakenwas. Ik was niks op 90 graden, want dat is slecht voor het milieu. Ik was niks op 40 graden, want dat kan niet ieder kledingstuk aan. De was moet op deze manier. Zo niet, dan moet de wasroutine over. Niet dat ik dat doe, want slecht voor het milieu. Maar als het niet in deze volgorde gaat, dan voel ik me dagen erna onrustig en voelt de gewassen kleding niet goed. Mijn moeder deed laatst mijn was en deed alles (de horror!) samen in een 40 graden was. Hoe erg dankbaar ik wilde zijn dat ze mijn was had gedaan, hoe erg ik op het punt stond om te huilen: “Niet zo!”.
Ook keek ik van de week een vlog op Youtube van een vrouw die ik niet eerder had gezien. Nu heb ik geen geduld om vlogs te kijken en daarnaast interesseert het leven van anderen mij ook helemaal niks, maar goed ik verveelde me. Ze stond voor een kast te praten en één van die lades stond een minuscuul beetje open. Uiteraard zag ik dat. Uiteraard begon ik mij te ergeren. “Doe die lade dicht!”, riep ik tegen het scherm. Ondertussen kwam er een nieuw shot tussendoor en even later was ze weer terug bij de kast. Ik was woedend. Zag ze niet bij binnenkomst in deze kamer dat die lade ietsjes openstond? Ze kan zichzelf toch zien via de camera? Doe er wat aan! Ik stopte met kijken.

Ik pak ook nooit koekjes die gebroken zijn. Eieren waar nog veren aanzitten raak ik niet aan (ja ik eet hyper biologische eieren, dus daar zit vaak nog wat ‘viezigheid’ aan). Mijn tandpasta moet exact eenderde van het borsteltje zijn, meer spoel ik meteen weg. Ik schrijf teksten over als ik niet tevreden ben met het handschrift. Ik stop met seks als het niet binnen drie minuten is zoals ik het wil. Ik staar minuten lang in de spiegel om na te gaan of mijn zwarte broek nu wel of niet vervaalt is na de was van eergisteren. En wordt daar ook onrustig van als ik zie dat hij minder zwart is dan vorige week. Ik word ook onrustig als iemand op het werk iets draagt wat niet past bij zijn huidskleur. En als een klant mij belt terwijl hij een andere afdeling of organisatie nodigt heeft, dan trilt mijn mondhoek.
Ik ben zo’n type dat ergens langs loopt en de lades sluit, opladers waar geen telefoon aanhangt uit het stopcontact haalt, de tv op stand-by zet, en papier uit de vuilnisbak vist en het bij  het oud papier dumpt. “Maar wordt je daar niet ongelooflijk moe van?”. Ja. Want ik heb de tic (of is perfectionisme een tic?) dat wanneer iets niet perfect loopt mijn kaken aan te spannen. Dan lijkt het net alsof ik me nergens druk om maak en heeft niemand echt door hoe merkwaardig ik ben. Ondertussen heb ik daardoor nogal afgetrainde kaken waar ik ook echt last van heb.

En ik word boos op collega’s die het niet doen op de manier zoals ik het wil en raak ik het grootste deel van de dag overspannen van die niet-perfect doende mensen. Soms is het zo erg dat mensen in paniek raken als ik mee kijk hoe zij een taak uitvoeren. “Euh, doe jij maar”, zeggen ze dan. En dan zucht ik heel hard en doe de taak dan super geïrriteerd voor ze. “Kun je dat nou nog niet?”, denk ik dan. Dan ziet mijn leidinggevende mij werk voor andere doen en krijg ik in het volgende functioneringsgesprek te horen: “Je mag wel meer voor jezelf opkomen! Je moet je niet laten spannen voor het karretje van anderen”. En dan span ik mijn kaken aan en zeg niks. Want dan ben ik boos dat hij niet inziet dat de rest hier niks van bakt en dat ik het werk maar doe, zodat we in ieder geval wat meer kwaliteit op de afdeling hebben. Dan zit aan het eind van de maand mijn kaak weer vast door de stress.
Een collega van mij is uitermate creatief en heeft zoiets als Architectuur of Bouwkunde gestudeerd. “Stacey, kun jij je pen lineair leggen aan je agenda?”, zei hij laatst geïrriteerd tegen me. “Nee”, bromde ik. Zuchtend stond hij op en legde mijn spullen in lineaire lijnen op mijn tafel. Hij ging weer zitten en zei dat hij nu weer rustig was. Een beetje verbaasd vroeg ik waarom hij dit deed. “Het heeft te maken met figuren, de lijnen, lineariteit…”, zei hij terwijl hij het voordeed op zijn eigen bureau. Ik werd er rustig van. Hij stuurde mij later een test voor perfectionisten die hij ooit van een hulpverlener kreeg. Ik scoorde een 9 op een schaal van 10.

 

Hoe doen jullie dat?

Hoe doen jullie dat?

Hoe doen mensen dat? Een fulltime baan, een leuk sociaal leven, sporten en een relatie tegelijkertijd onderhouden? Ik doe dit nu ruim twee weken en om meteen de balans op te maken… Het gaat niet goed! Zo stond ik vanochtend met tranen in mijn ogen voor mijn werk en kreeg ik ergens deze week nog een complete breakdown op de bank. Het is te overwhelming. Ik trek het niet meer. Zoals ik al honderd keer eerder heb verteld trek ik prikkels heel erg slecht. Een dagje shoppen in het centrum van Utrecht is voor mij al genoeg om een halve dag bij te moeten komen. Daarnaast trek ik een avondje in de kroeg alleen na twee glazen wijn en een bepaalde vage atmosfeer. Daarmee bedoel ik dat het muziek op een dusdanige niveau moet staan, waardoor ik mijn vrienden goed kan verstaan. En de muziek moet ook binnen mijn genre passen. In ieder geval, ik moet de muziek kennen want dat geeft dan een soort van rust in mijn hoofd. En ik wil ook dat niet te veel mensen om mij heen staan, want dat vind ik niet prettig. En als mensen mij aanraken ook niet. Alleen dan, dan heb ik een leuke tijd.
Als dit allemaal niet gebeurt ben ik ongelooflijk chagrijnig. Dan ga ik bijvoorbeeld   mensen duwen in de winkelstraat, omdat ik wegren van al die prikkels. Of dan ben ik ongelooflijk stil, saai en moody in de kroeg. En dan is het tijd om naar huis te gaan. Dan lig ik thuis op de bank gedachteloos door mijn Facebook tijdlijn te scrollen, terwijl er op de achtergrond de tv zachtjes aanstaat.

En dat werkte gewoon allemaal prima voor me. Totdat ik een relatie kreeg en daar nogal van in paniek raakte. Ik had (heb) namelijk geen idee hoe ik me-time moet maken. Dus dan ben ik mij al de hele dag aan het irriteren op het werk. Ik coach al een tijdje nieuwe medewerkers. En nee, dat is niet vrijwillig. Ondanks dat ik tegen mijn baas heb gezegd dat ik hier niet geschikt voor ben, moet ik dit min of meer doen. Nu gaat het allemaal wel aardig, maar er is er één bij die echt alles vraagt. En dan ook echt al-les! “Stacey, mijn scherm begint steeds witter te worden en ik zie een cirkeltje dat draait en dat draait en dat draait”. Ik: “Hij is aan het laden…”. Hij: “Stacey, ik heb net vier keer op enter gedrukt en nu doet ie niks meer”. “NEE JE HEBT HEM NU GESLOOPT! Ga nu maar met de servicedesk bellen”. Wat hij dan ook doet. En na nog meer sloom gedoe en gezeik op kantoor ga ik met een vol hoofd naar huis en trek de deur dicht. Dan wil ik gewoon weer op de bank ploffen en acclimatiseren en appt mijn vriend dat hij onderweg is naar mij. Hartstikke leuk maar hoe dan? Dus zodra hij voor de deur staat heb ik amper tien procent van de prikkels verwerkt. En dan doen we gezellig en krijg ik een dosis nieuwe prikkels over mij heen en na afloop ben ik dood en doodop. Dan begint weer een nieuwe dag.

Ik moet er ook even bij vermelden dat mijn vriend een super drukke baan en sociaal leven heeft. Dat staat, euh, nogal in contrast met mijn baan en sociale leven. Mijn vrienden en ik zijn nogal van gedoseerd en rustig contact. Uiteraard heb ik vrienden die ook snel overprikkeld raken. En dat gaat goed. Mijn vriend werkt gerust een dag over om ’s avonds met zijn vrienden tot laat in de kroeg te hangen. Maar hoe dan? Dat is iets wat niemand weet. In ieder geval ik niet. Want ik ben gisteravond mee geweest en ik was na een kwartier al doodop. Komt er nog bij dat ik verscheidene breakdowns deze week heb gehad en ik me vooral niet mag aanstellen van mezelf. Ja, ik wil heel graag met een bakje chips tv kijken en nee, ik heb geen zin om gezellig te doen nu. Maar ja, ik doe het voor hem want ik wil hem ook zien. En op het moment dat ik compleet overprikkeld ben dan neemt mijn resting bitch face het over. Een resting bitch face is een boos hoofd die sommige mensen trekken als ze neutraal kijken en/ of aan het nadenken zijn. Dat dus. En aangezien ik nogal vaak nadenk kijk ik als een zure Kanye West de wereld in. Dat werkt dus niet in de kroeg. Totaal niet! Want niemand wilt leuk met me kletsen en er is altijd iemand die vraagt waarom ik zo boos kijk. Super irritant, waardoor ik echt boos word. Oké, die kroegscène van gisteravond ging voor mij niet zo lekker dus. Ik heb het vandaag de hele dag overdacht en het kan beter, het kan beter.

Maar goed, ik ben vandaag eerder naar huis gegaan zodat ik tot rust kan komen. Het hele weekend staat namelijk weer vol relatie afspraken. Uit paniek heb ik zojuist een bak popcorn gemaakt en eet dit nu als een ware aasgier op. Terwijl ik dit typ appt mijn vriend de planning voor het weekend door. Ik paniek. En nu is alle popcorn op en stort ik me maar op het zout dat onderaan de bak ligt. Niet verkeerd, moet ik zeggen. Wat ook een probleem is (voor mij) dat je bij een nieuwe relatie ook nieuwe mensen moet  ontmoeten. As in zijn familie, vrienden, kennissen, collega’s en weet ik veel wat allemaal. Nu  ben ik niet zo goed met sociale interacties. Bij voorbaat raak ik al in de stress als ik een groep nieuwe mensen moet ontmoeten. Daarnaast verknal ik het bij eerste indrukken (ik zit er over te denken om een soort elevator pitch standaard paraat te hebben). En ik kan geen gesprek gaande houden, omdat ik heel vaak krekeltjes hoor als mensen gaan praten. En die resting bitch face werkt ook niet mee. Ik ben ondertussen continu bezig hoe ik overkom op mensen en wat ze van mij vinden. En door mijn prikkelgevoeligheid vind ik mensen in een bepaalde setting niet prettig. “Mensen zeggen nooit over jou dat jij een spontane meid bent”, zei een moeder een keer. Nee dat klopt ook gewoon. Ik vind het namelijk zelf ook niet en wou echt soms heel vaak dat ik anders werkte. Anyway, het kan zijn dat ik hem stress voor niets en dat het achteraf meevalt. Maar daar durf ik niet van uit te gaan. Trouwens als iemand tips voor mij heeft n.a.v. bovenstaande, graag!

Momenten waar ik eigenlijk best wel raar ben

Momenten waar ik eigenlijk best wel raar ben

Sorry dat er weer geen blog was vorige week. Ik heb een nieuwe baan binnenkort en ik heb sinds kort een nieuwe relatie. Oh en ik ben ook begonnen aan de schrijversopleiding. En al die dingen kosten tijd… Veel tijd…

  1. “Maar jij bent toch zo slim?”
    Toen ik zestien was solliciteerde ik voor een bijbaantje bij de Xenos. Lees: mijn moeder had in al haar enthousiasme wat sollicitatiebrieven uit mijn naam verstuurd, omdat ze vond dat het nu tijd was voor een bijbaantje. Eigenlijk zei ze dat ik zo meer onder de mensen zou komen. Ik was nogal niet- sociaal destijds en ze hoopte dat ik door een bijbaantje wat losser zou gaan komen. Plottwist: ik ben nog steeds ongelooflijk awkward. Vandaar ook deze blog. Anyway, ik zat daar dus in de kantine met de filiaalmanager en een meisje dat er al werkte. Die filiaalmanager was zo’n goedkope gast met een pak die te groot was en van die plastic nette schoenen. Het meisje was een typisch vmbo meisje (zoals die destijds eruit zagen in 2005) met van die grote oorringen en haar haar strak naar achteren in een staart. En natuurlijk droeg ze mega veel make up en ik dus helemaal niks, waardoor ik me onzeker voelde. Ze keken allebei naar mijn CV. “Dus je zit nog steeds op school?”, zei de manager minachtend. Ik knikte wat verbaasd. “Op jouw leeftijd was ik al lang klaar met school, vervolgde hij, ben je blijven hangen?” Blijven hangen? “Nee het vwo duurt zes jaar”, piepte ik. De manager begon spottend te lachen. “Zes jaar naar school, ammehoela! Dus jij bent zo slim hè, met je vwo, vertel jij maar hoe deze winkel gerund wordt”. Ik raakte in paniek en mompelde dat ik dat niet wist. “Leer je dat niet op het vwo?”. De manager en het meisje begonnen te lachen. Ik ben half huilend daarna naar huis gegaan.

    Doordat ik vaak zulke reacties kreeg omdat ik op het vwo zat, vertik ik het nu om mensen te vertellen dat ik hoogbegaafd ben. Ik weet niet of mensen dit zeggen uit onzekerheid, maar ik word zelf erg onzeker van dit soort uitdrukkingen. Want ik voel mij nooit slim en na zo’n uitspraak klap ik helemaal dicht en ga ik stotteren. Soms begin ik ook nog raar te zweten. En dan weten mensen het zeker: slimme mensen zijn raar.

  2. Als mensen grapjes over me maken tijdens een prikkel meltdown
    Ik heb even geen idee hoe ik het anders moet noemen. Maar laat ik het zo uitleggen, ik ben nogal prikkel gevoelig. Net zoals bij mensen met ADHD, autisme en hoogsensitiviteit komen prikkels bij mij harder binnen dan bij andere mensen. Dus als ik in een winkelstraat loop raak ik letterlijk uitgeput van alle mensen, geluiden, geuren en bezienswaardigheden. Nu vind ik dat helemaal niet erg, want ik houd er ook wel van. Maar ik heb toch even een moment nodig om de batterij weer even op te laden. En dan vind ik het fijn als mensen mij even met rust laten, vooral wanneer ik dat expliciet aangeef.

    Zo had ik laatst een teamuitje waarbij we een spel deden middenin het centrum van Utrecht. Dus na 1,5 uur voelde ik mijn voeten enorm zeer doen. Nu had iedereen pijnlijke voeten, maar ik voel pijn altijd net wat intenser dan andere mensen. Mijn hoofd was vol prikkels waardoor ik zelf ook prikkelbaar werd. Gelukkig deden we daarna een rondvaart waardoor ik even op adem kon komen. “Wat ben je stil”, zei een collega naast mij. “Ja, ik ben moe dus ik vind het fijn om even te genieten op het water hier”, antwoordde ik. De collega praatte mij na in een zeurderig gek stemmetje. Doordat ik al compleet op was kwam deze grap (?) hard binnen, waardoor ik bijna op het punt stond om te gaan huilen. Maar goed, ik vermande mezelf en negeerde haar. Ze is nogal druk (en vervelend, zo’n type dat beweert dat geestesziektes en gedragsstoornissen niet bestaat) en zat aso te schreeuwen naast mij. Daardoor duurde het nog langer voordat mijn batterij weer werd geladen. Dus probeerde ik me zoveel mogelijk af te sluiten en te genieten van het uitzicht. “Nou, die Stacey hier naast mij is zooo druk! Ze kletst echt de oren van mijn kop. Poe, heb echt rust nodig als ik thuis ben!”, riep de collega. Dat vond ik niet leuk en ze riep het ook nog een paar keer daarna. Ik wilde heel graag naar huis toen, hoe gezellig het ook was.

  3. Als mensen zeggen dat ik niet zo veel moet denken
    Ja, dat gaat dus niet zo. Ik denk, dus ik besta is zo’n beetje mijn levensmotto. Als ik niet denk, dan ben ik er gewoon niet. En ik kwam laatst gewoon achter dat de meeste mensen gewoon niet over dingen nadenken. Zo vertelde laatst een collega dat haar ouders als Indische Nederlanders in Indonesië waren gebleven na de oorlog. “Maar hoe dan?”, vroeg een andere collega. “Geen idee, nooit over nagedacht of nagevraagd”, zei ze. En ik flipte gewoon bijna, want ze is eind dertig en dan verwacht ik gewoon dat je nadenkt. Of zo. Maar ik vond het gewoon zo stom. Want ik had mijn complete familiestamboom en geschiedenis al paraat op mijn dertiende. Daar denk je toch over na? Dat vraag je toch aan je familie?

    Anyway, ik denk dus wel heel veel na. En ik vind dat fijn, want ik heb het idee dat mij dat een beter inzicht geeft. Aan de andere kant, door het vele denken gaat alles zo sloom bij mij. Ik zie overal beren op de weg en ik kom over als een pratende Wikipedia. Dus als mensen zeggen: “Denk even niet zo veel na”, dan raak ik ook in paniek. Jeetje, ik paniek wel veel. Ja, ik paniek veel. Want niet denken klinkt voor mij als: “Stop met ademen”. En dan ga ik nadenken van: “Ja maar hoe dan? Hoe dan”. Waardoor ik weer dichtklap en weer awkward begin te stotteren. Dit dus.

 

Sorry ik heb deze blog ongelooflijk snel moeten maken, want de verplichtingen roepen weer. Ik hoop dat ik snel even een ritme vind in mijn leven en dan weer iedere dinsdag een goede post neer te zetten.

 

Zal ik je feedback geven?

Zal ik je feedback geven?

Ik wilde het eigenlijk over mijn eerste keer XTC hebben, maar too soon, too soon. Houden jullie nog tegoed. Daarnaast was er vorige week geen blog, omdat ik maar twee zinnen op papier kreeg.

Voor mijn opleiding Redactie ontving ik een papiertje waarop de regels van feedback stonden weergegeven. Ik las hem vluchtig door en deed hem weer weg. Eerlijk, ik was gewoon bang. Want ik haat feedback. En als ik dat in het openbaar zeg, dan is  iedereen het ook vaak met mij eens. Maar zodra we aan de feedback- sessie beginnen, ben ik ook meteen de enige die niet leuk meedoet. Ik vind feedback namelijk stom, want ik heb er ook nooit wat aan. Dan gaat ineens Sandra dingen over je vertellen waar je niks aan hebt: “Ik vind je stil en verlegen. Je mag wat meer van jezelf laten zien”. Of zo. En dan mag je niet gek naar Sandra kijken, maar dan moet je zeggen: “Dank je Sandra. Ik zal er in het vervolg opletten”. En als je een klote cursusleider hebt, dan voeg je eraan toe: “Dit zal ik proberen te bereiken door een cursus assertiviteit te volgen”. Die je dan een soort van niet gaat volgen. Maar echt, dikke boeie Sandra, ik ben niet stil en verlegen ik weet niet wat ik tegen mensen zoals jij moet zeggen. Dus sta ik maar krampachtig te lachen en begint de volgende feedback van Theo: “Je weet waar je het over hebt”. Nou oké, bedankt Theo. Die steek ik in mijn zak. “Je kan niet zo goed tegen feedback he?”, zei een docent een keer tegen mij. Nee, want het volgende ging eraan vooraf.

Ik heb op een blauwe maandag een cursusje gevolgd op het hbo. Biggest misstake of my life. Ik lag na een maand depressief in bed vanwege het bedroevend lage niveau van de lesstof en mijn medecursisten: “Wat betekent c.q.?”. Google that bitch! Maar goed, we moesten daar presenteren en na afloop kreeg je feedback van je medecursisten. Zo stond een cursist in gebrekkig Nederlands te presenteren en benoemde alles met “die”. Niemand die wat zei! Dus toen ik het voorzichtig aankaartte kapte de docent mij af en zei dat dit niet relevant was. Nou ja, zeg! En toen was ik aan de beurt en volgens mij was mijn presentatie best oké. Na afloop wachtte ik krampachtig op de feedback. Sowieso was ik al niet in de mood om maar iets aan te nemen van deze groep. Ik vond mezelf overduidelijk slimmer. Nogal arrogant, maar ik kreeg van de studieadviseur het advies om de cursus vooral niet naar een hoger niveau te tillen, dan dat de rest aankon. Anyway, mijn eerste feedback kwam eraan. “Je stelde aan het begin van de presentatie een vraag, maar je gaf er geen antwoord op”, zei een meisje. “Dat was een retorische vraag”, antwoordde ik geïrriteerd. “Ja, daar gaf je dus geen antwoord op”, zei ze terug. “Dat hoeft niet, want het was retorisch”, zei ik boos. “Het is fijn als je op iedere vraag een antwoord geeft, anders werkt dit nogal verwarrend”, zegt ze. “Wat?”, riep ik. De docent greep in en begon een verhaal dat je duidelijk moet zijn in je presentatie. Ik was te boos om daar iets van te zeggen. Op naar de volgende feedback. “Je bent klein, maar dat stoorde niet”, zei een jongen. “Wat heeft dit ermee te maken?”, riep ik boos. En toen zei de docent dus dat ik slecht tegen feedback kon.

Maar het kan ook komen omdat ik een soort feedback ervaring mis. Toen ik jonger was kreeg ik nooit echt feedback. Alles ging toch goed en ik inde de complimenten. Niet dat me dat wat deed, op een gegeven moment raak je eraan gewend en hoor je ze niet. Daarnaast gaven we elkaar op de uni vrijwel nooit feedback. Niemand had er zin in, niemand lette op. Dus bleef iedereen in die vaagheden als: “het was goed, maar een beetje kort” hangen. En als je presentatie zo vaag en slecht was, kon je het altijd nog met een kul theorie verantwoorden. Want dat was ook vaak het probleem van de uni; zodra je je kon verantwoorden dan was alles goed. Op de uni ben ik trouwens ook mijn vertrouwen in de wetenschap verloren door dit. Maar dat is weer een ander verhaal. Dus toen ik van de uni af kwam had ik bijna geen ervaring met feedback, waardoor ik tegenwoordig feedback nogal slecht trek.

Het gaat ook een beetje om het feit dat mensen heel slecht feedback geven. Op mijn werk doe ik wel eens kwaliteitscontroles. Dan kijk ik wat mijn collega’s hebben gedaan en of dit volgens de richtlijnen is. Als iets niets volgens de richtlijnen is probeer ik te achterhalen waarom het anders is gegaan. En dan koppel ik terug: “Ik zie dat je de mail niet gearchiveerd hebt. Ik denk dat je dat in alle haast bent vergeten door die strakke deadline. Ik heb de mail voor je toegevoegd”. En dan word ik oprecht bedankt voor de feedback. Andersom gebeurt dat nooit. Echt nooit! Ik heb een collega die kickt op feedback mails. Het liefst nog met de manager in de CC. Van de week kreeg ik een mail van haar. Meteen kwam ik in een bad mood. In een half a-4tje zette ze uiteen hoe ik 2016 schreef in plaats van 2017. Dikke boeie Astrid. In de tijd dat jij dit mailtje typte, had je zelf de datum kunnen wijzigen. Aan het eind van de mail schreef ze: “Pas jij dit nog aan?”. Ik typte terug: “Oh wat suf! Ik kijk er naar mijn vakantie naar”. Ik wist dat ik haar daarmee op de kast joeg. Na drie jaar weet ik precies hoe ik haar boos kan krijgen. Meteen kwam een mail terug: “Liever doe je het nu. Anders heeft de klant heel lang een verkeerde datum in zijn dossier. En als je op vakantie gaat moet je zulke dingen overdragen”. Helemaal goed Astrid! Ik zette mijn afwezigheidassistent meteen aan. En weg ben ik “uw mail wordt niet gelezen of doorgestuurd”. Zoek het lekker uit Astrid.

Oké toen ik thuis was, vond ik het ergens wel kinderachtig van mezelf. Maar aan de andere kant vond ik dat ze me ook te veel feedback gaf. Zij is het type collega dat een proza aan feedback mailt en eindigt met: “maar het maak niet uit hoor”. Waarop ik dan weer antwoord: “Waarom begin je er dan over?”. Dat mag niet meer van de senior op mijn afdeling. Maar ik had wel een punt zei hij. Een paar weken later gaf hij een presentatie en op zijn laatste slide stond: “je feedback mag je houden”. Ik was de enige die lachte.
Laatst appte ik langdurig met een potentiële date. Het klikte voor geen meter. Op een geven moment appte de man in kwestie: “Zal ik je feedback geven?”. “Nee, dank je wel”, appte ik terug. En begon een proza waarom ik vond dat wij niet bij elkaar pasten.

Vangen!

Vangen!

“Stacey vangen!”, hoor ik. Uit mijn ooghoeken zie ik een gele bom mijn hoofd naderen. In een reflex bescherm ik met mijn armen mijn hoofd en duik als een ware ninja richting de grond. Achter me hoor ik de bom ontploffen. “Mooie redding”, zegt een collega. Ik veeg het stof van mijn kleren, sta op en loop door naar het kopieerhok. Maar zo was het eigenlijk niet gegaan. In feite kwam er een harde tennisbal op mij af. Ik gilde vaag. Ik zwaaide onhandig wat met mijn armen om de bal te vangen, maar miste hopeloos. De bal stuiterde naast me op de grond. De collega die de bal gooide staarde me vol ongeloof aan. Ik lachte een beetje gek. “Ik ben niet zo goed met ballen…sport. Balsport. Sowieso… teamsport. Das ook vaak met een bal. Bal en teamsport”, mompel ik. Ik besefte hoe raar deze situatie was en hoe ik vooral mijn best deed om het nu compleet awkward te maken. “Dit is nog een puntje waar we effe aan moeten werken”, zei de collega. Sindsdien gooit hij vaak de tennisbal random mijn richting op. Je zou denken: oefening baart kunst. Maar bij mij niet. In die drie maanden tijd heb ik de bal pas één keer gevangen.

Mijn grove motorische vaardigheden zijn nogal roestig onderlegd. Ik ben nu ook op dat punt in mijn leven dat ik dat eerlijk toegeef. Automatiseren lukt gewoon niet zo goed. Ik heb dan in mijn hoofd wat ik moet doen, maar dan werken mijn spieren niet mee. “Ja maar Stacey, daar moet je niet over nadenken. Dat moet je gewoon doen”. Nee, zo werkt dat niet bij mij. Ik moet over alles nadenken, echt alles. Dus ik denk na in welke hoek de bal op mij afkomt en hoe hard de snelheid van de bal is. Dat vergelijk ik in mijn hoofd met alle andere keren dat een bal op mij afkwam en ik hem succesvol ving. En dat zou mij dan moeten helpen om de bal succesvol te vangen. Of zo. “Maar wat is dit dan weer een complex gedoe?” Hallo, hier typt een hoogbegaafd iemand. Dus dan krijg je dit. Anyway, door dit soort onzinnige gedachten vang ik dus vrijwel nooit een bal. En nee, die gedachten uitzetten gaat niet.

En ik heb wel vaak geoefend hoor. Zo moest ik wel eens na de gymles langer blijven om het bal vangen onder de knie te krijgen met de gymdocent. Naast het feit dat ik dit super gênant vond, deed het mijn zelfvertrouwen meer deuken dan dat het groeide. Voor mij was het een bevestiging dat mijn grove motorische vaardigheden toch echt wel te wensen over lieten. Overigens hielp het ook voor geen meter. Ik werd ietsjes beter in bal vangen. Gefrustreerd zei de gymdocent dat ik me te weinig interesseerde voor zijn vak. Wat ook waar was. Niks vond ik nuttelozer dan leren om een salto te maken op een mat en bijna doodgaan omdat een klasgenoot je moest vangen, maar van schrik weg sprong. Waardoor je met een smak op de mat neerkwam en je hart oversloeg van schrik. True story. Mijn bff was bij de salto-les ook van een kast geflikkerd omdat een klasgenoot te laat was met haar op te vangen. Ik hoor haar nog gillen.

Maar ik dwaal af. De ontwikkeling van mijn grove motoriek was al behoorlijk slecht. Ik liep zo laat dat mijn moeder dacht dat ik wat mankeerde aan mijn benen. Toen ik eenmaal begon te lopen, rende ik diezelfde dag nog. Dat dan wel weer. Leuk feitje: ik begon pas te lopen toen ik cognitief werd uitgedaagd. Dat is ook wel de voorwaarde wil ik een bal vangen of poolen of weet ik veel wat. Zodra er een cognitieve prikkel is, lukt het wel. Zo heb ik in Israel de sterren van de hemel gepoold, omdat mijn pool tegenstander allerlei natuurkundige feitjes en formules op mij afvuurde. Ik teer nog steeds op mijn overwinning. Mooie avond.
Maar vaak is er geen cognitieve prikkel. Zoals ik ooit al eerder schreef, de blokkentest op de IQ test ging zo mis dat ze dachten dat ik misschien autisme zou hebben. Autisten bewegen namelijk anders en ik liet alle blokken vallen (ja dat ging echt niet goed). Dus zou ik autisme hebben. Maar geen autisme dus, mijn oog-hand coördinatie is bij de grove motoriek bagger. Dus ik heb dat onderdeel lekker verpest omdat ik geen blokjes kan neerleggen. Daarentegen is mijn fijne motoriek wel goed. Toen ik één was kon ik al met een pen over papier krassen en ging al gauw over op het natekenen van letters en cijfers. En nu kan ik, met zowel links als rechts, in één vloeiende beweging een winged eyeliner zetten. Ik kan trouwens ook geweldig koken zonder weegschalen en maatbekers. Maar dat vragen ze niet op IQ testen.

Naast lopen ging leren fietsen ook heel slecht. Ik dacht te veel na op de fiets waardoor ik steeds viel. En ik raakte ook nog eens gefrustreerd op mezelf waardoor ik nog meer viel. En doordat ik viel kon ik dat overdenken als ik aan fietsen dacht. Dus wilde ik op een gegeven moment alleen nog maar met skeeler- bescherming fietsen. Dat moet er echt belachelijk uit hebben gezien. Zwemmen ging ook al niet. Dat mislukte zo erg dat mijn moeder met mij moest oefenen op vakantie, zodat ik niet te veel een achterstand zou oplopen. Maar toen ik baantjes trok in het zwembad op de camping raakte ik gefrustreerd. Ik dacht aan iedere beweging, ik dacht hoe moe ik van zwemmen werd en ik dacht dat ik het niet kon omdat ik extra moest oefenen. Toch haalde ik wel mijn achterstand in.
Autorijden was (en is stiekem) ook al zo’n drama. Ik deed er ruim een jaar over om het roze pasje binnen te slepen. Ik moest leren om niet verkrampt achter het stuur te zitten en het duurde lang voordat de auto niet afsloeg als we reden. Ik raakte gefrustreerd en overdacht iedere beweging die ik moest maken in de auto. “Niet denken maar doen”, zei de instructrice. Maar als dat voor mij net zo makkelijk was als voor iedereen, dan was ik niet hoogbegaafd geweest en bestond deze blog niet. Toch rijd ik helemaal niet slecht, maar autorijden is alles behalve ontspannen voor mij. Dus doe ik dat liever niet.

En dat vinden mensen dan gek enzo. “Heb je nooit geoefend met ballen vangen?”, vroeg de collega. “Zo vaak, antwoordde ik, maar dingen die voor jou goed werken, werken voor mij minder goed”. Dat begreep hij niet. En ik deed ook geen moeite om het uit te leggen. Dit jaar ben ik erachter gekomen dat ik niet slechter ben in dingen en dat ik geen beperking heb. Bij mij werken dingen gewoon anders. Daar kwam ik ook pijnlijk achter toen ik voor het eerst XTC nam. Maar daar volgende week meer over.

 

Creatief & Analytisch

Creatief & Analytisch

“Hier staat dat ik nogal veel leiderschapsvaardigheden heb. Kan ook goed kloppen. Ik merk dat ook in mijn rol als projectleider”, zegt collega 1. “Ja, dat vind ik ook goed bij je passen. Bij mij staat er dat ik goed ben in het ontdekken van drogredenen en dat ik daarom goed uit te verf kom als advocaat. Laat ik nou net Rechten hebben gestudeerd. Hey Stacey, is jouw rapport al binnen?”, vraagt collega 2. “Euhm nee”, mompel ik en ververs nogmaals mijn e-mail. Ik ben erg nieuwsgierig wat eruit komt. Sowieso heb ik weinig vertrouwen in tests en vooral deze Talenten- test van het werk. We hebben een zogenaamde Talent- week op het werk. Een extern bureau is ingehuurd om ons vage workshops als Ontdek je Brand (op z’n Engels), Mindfullness en The Elevator Pitch aan te smeren. Allemaal gericht op het nieuwe werken, waarbij alles vooral een betekenis moet hebben. Natuurlijk heb ik mij voor geen enkele workshop ingeschreven en alleen wat foldertjes gepakt zodat mijn baas denkt dat ik mee deed aan het programma. Dat werkte want ik hoorde hem zeggen tegen een collega: “Zelfs Stacey loopt met foldertjes rond”. Not sure about that ‘zelfs Stacey’.  Maar goed, mijn collega’s waren lyrisch over de Talenten- test en aangezien je die (veilig) achter je bureau kan maken, heb ik hem ook maar gemaakt.

Ah, de uitslag is binnen! Groot staat er in het rapport: Creatief & Analytisch. Not bad… Snel scroll ik naar beneden omdat ik meer geïnteresseerd ben in de conclusie van het rapport: Creatief en Analytisch een combi die je niet vaak ziet. Mensen zijn of heel artistiek of heel analytisch. Jij bent beide. Gefeliciteerd! Je bent erg uniek! Daarna beginnen ze erover dat ik een soort mix ben van Shakespeare en Sheldon (ja die gast van The Big Bang Theory). Het rapport eindigt met: We weten niet zo goed welk beroep bij deze talenten en je academische niveau past. We kwamen uit op: Architect. Succes met het verder ontdekken van de juiste loopbaan. Dit stukje las ik ongeveer drie keer. “Euhm… Ze weten niet eens wat erbij mij past. Ik heb zo’n vaag profiel dat die loopbaanmensen het ook niet weten. En als zij het niet weten, hoe moet ik het dan weten?”, ik stotterde en mijn stem klinkt eng hoger dan normaal. Stond ik nou op het punt om te huilen? Een collega komt bij mij staan en leest het rapport. Ze herkent me er honderd procent in zegt ze en begrijpt ook dat dit niet motiverend werkt. “Kom we gaan wel even naar een aparte ruimte”, zegt ze.

“Hoe gaat het eigenlijk met je?”, vraagt ze. De tranen springen in mijn ogen. Ineens kwam alles eruit. Hoe ik ervan baal dat ik de beste cijfers van het team heb en daardoor extra werk krijg toebedeeld. Hoe ik baal van het extra werk omdat ik mijn werk enorm haat. Dat het werk mij zo gemakkelijk af gaat dat ik hele dagen op Bol.com rond hang. Dat ik niet weet wat ik wel leuk vind. Dat ik mij schuldig voel dat ik me zo voel over mij werk omdat zat collega’s langer op kantoor moeten blijven om het werk af te krijgen. Dat ik er op mijn 24e achterkwam dat ik hoogbegaafd ben en nog steeds niet weet wat ik ervan vind. Ineens stop ik. Ineens besef ik dat ik zojuist aan een collega vertel dat ik hoogbegaafd ben. Ik voel me kwetsbaar en probeer haar reactie te peilen. “En je dacht dat ik dat niet door had? Ik heb een paar hoogbegaafden in mijn familie en je past er zo tussen. Daarnaast vind ik het ongelooflijk KUT voor je dat je dat bent. Mijn broer en ik zijn ook getest, maar gelukkig zijn we het niet. Alleen heel erg druk en chaotisch. Ik hoop dat mijn kinderen het niet hebben en ik gun het jou niet”. Ik begin te lachen. Eindelijk iemand die precies de spijker op z’n kop slaat. “Ik moet wel zeggen dat ik je het ongelooflijk goed vind doen. Je bent heel erg sociaal. Soms eigenaardig, maar je verklaart jezelf ook altijd. Daardoor heb je enorm veel respect afgedwongen in het team”. We praten nog effe wat na en we gaan terug naar onze plek.

Stiekem ben ik wel trots dat ze me sociaal vindt. Sociaal doen is een vaardigheid die ik mezelf echt heb moeten aanleren. Nee dat lieg ik. Ik ben nog steeds niet sociaal. Ik acteer dat ik sociaal ben. Zoals ook in de uitslag van de test naar voren kwam, ben ik heel erg goed in acteren. Op een dag kwam ik er achter dat ik mensen heel goed na kan doen, nadat ik ze een tijdje heb bestudeerd. Dus pikte ik de sociale vaardigheden van mensen die ik leuk vind en pas die toe wanneer ik daar zin in heb. Al die andere momenten sta ik buiten de groep in gedachten af te dwalen. Volgens de psycholoog is dit toch echt typisch autisme. Maar ik hoef mijn acteer skills nooit te gebruiken als ik onder hoogbegaafden of vrienden ben. Dan gaat alles vanzelf.

“Stacey wat is er nou met jou aan de hand?”, vroeg een collega een keer. Ik keek haar niet begrijpend aan. “Ik kan de vinger er niet opleggen. Je hebt nogal van die trekjes… Heb je nou iets van autisme? Nee, want je bent best sociaal maar je hebt van die bepaalde trekjes wat me aan autisme doet denken. Of iets van ADD? Misschien wel PPD-NOS…”, gaat ze verder. “Of misschien wel helemaal niks”, vul ik haar aan. “Nee, er is wel iets met jou”, zegt ze. “Ik zou het wel heel spannend vinden als jij mij een soort labeltje kan opplakken. Ben benieuwd wat er uit komt”, zeg ik terwijl ik pistolen vingertjes naar haar maak. Even raak ik in paniek omdat ik kennelijk weer ‘anders’ overkom op mensen. “Boeiend, hoor ik mijn coach zeggen in mijn hoofd, trek ze anders op aan jouw niveau, leren ze ook nog es wat.”

Toch meld ik me een paar dagen later ziek op het werk en zeg tegen mijn baas dat ik ‘op’ ben. Ik lig de hele dag in bed. Mijn moeder is dit onderhand wel gewend van mij en drukt mij op het hart dat ik moet oppassen op een burn-out. “Ik las laatst in de krant dat hoogbegaafden daar vaker last van krijgen”. Mijn moeder is trouwens nu wel overtuigd dat ik hoogbegaafd ben. Hoe dat is gekomen vertel ik nog wel een keer. Ik ben met geen mogelijkheid mijn bed uit te krijgen. Ik fantaseer over dood gaan, maar dat is ook niet echt wat ik wil. Ik kan het niet meer. Ik weet het niet meer. Hoe lang moet ik op deze voet doorgaan? Mijn telefoon staat roodgloeiend door bezorgde vrienden. Ik zet hem uit.

 

 

Mijn roots

Mijn roots

Tijdens mijn trip naar Israël ontmoette ik een Amerikaans meisje met wie ik zo’n beetje de hele trip ben opgetrokken. Op één van de eerste dagen zijn we vanuit Tel Aviv (waar we verbleven) naar Jeruzalem gegaan. Daar hebben we een georganiseerde tour gemaakt door de oude stad. De eerste bezichtiging was de Heilige Grafkerk; een één of andere bedevaartsoord voor christenen die geloven dat Jezus op die plek is gestorven. We eindigden de rondleiding ergens op het dak van de kerk waar de Ethiopiërs een eigen ruimte hadden. We liepen dwars door hun dienst heen, wat ik raar vond maar niet raar genoeg om mij daar druk over te maken. Mijn Amerikaanse vriendin zag dat anders. Zij zag hier duidelijk een onderscheid tussen de witte en de zwarte mensen. “Waarom mochten de witte mensen in de grote kerk hun dienst houden en worden de zwarte mensen verbannen in een minikerkje op het dak?”, riep ze tijdens onze lunch. “Nou misschien was het destijds zo afgesproken, omdat de zwarte mensen een net wat andere religie aanhangen dan de witte?”, mompelde ik nog. Ze was niet overtuigd.
Naar aanleiding van de gebeurtenissen van vorige week in Amerika poste mijn Amerikaanse vriendin een verhaal op Facebook. Hierin werd gezegd dat witte Amerikanen een duidelijke roots hebben in Europa. Ze hebben bijvoorbeeld Poolse, Franse of Ierse voorouders. Zwarte Amerikanen kunnen, dankzij de slavernij, dit niet zeggen. Voor hen liggen hun roots in Afrika. Maar Afrika is geen land, maar een continent. Dus de vraag is, waar dan in Afrika? Hier moest ik over nadenken. Kennelijk vinden mensen het belangrijk dat ze zich kunnen identificeren met een land of bevolkingsgroep. Ik ging bij mezelf na of ik, als bruine Nederlander, dit ook had.

“Namaste! Jij komt uit India”, zei iemand tegen mij laatst. “Ik kom niet uit India”, zei ik terug. “Jawel”, zei hij. “Nee”, zei ik. “Ja, want je lijkt op iemand die ik ken uit India”, zei hij. “En toch heb ik geen Indiase roots”, antwoordde ik verveeld terug. “Weet je het zeker?”, vroeg hij. “Ik weet zelf toch ook wel waar ik vandaan kom”, antwoordde ik geïrriteerd en legde hem niet eens uit waar mijn echte roots lagen. Ik vind trouwens ook niet dat ik mensen dat hoef uit te leggen. Toch begrijp ik het wel dat mensen het interessant vinden als ik, met mijn niet Nederlandse hoofd, ergens binnen stap. “Oh ik ben zo jaloers op je huidskleur”, zeggen ze dan. En dat geloof ik niet, want dat zeggen ze alleen maar om te laten merken dat ze totaal oké zijn met je huidskleur of gewoon om maar wat te zeggen om het ijs te breken. Ik zie mijn eigen huidskleur niet en die van een ander ook niet. Het interesseert me ook niet. Ik ben meer geïnteresseerd in de acties van mensen (waarom doen ze wat ze doen?) dan hun etnische voorkomen. Alhoewel ik laatst een hele witte Zweed zag. Daar moest ik wel even aan wennen.

Mijn leraren vroeger dachten dat mijn eigenaardige gedrag voortkwam uit het feit dat ik bruin ben. “Gedraag jij je zo, omdat je een… Laat ik zeggen… Een andere huidskleur heb dan de andere kinderen?”, vroeg mijn mentor een keer. “Nee want die andere bruine kinderen in de klas doen toch wel normaal?”, antwoordde ik. Laten we het trouwens maar een andere keer hebben over dit pedagogisch onverantwoorde gesprek. Toch wist ik als kind ook niet erg goed waar ik thuis hoorde. Natuurlijk merkte ik van jongs af aan al dat ik ‘anders’ was en dat dit niet kwam door mijn donkere huidskleur. Nu zijn mijn roots ook te ingewikkeld om te zeggen dat ik daar een minderwaardigheidscomplex over had. Want met mijn Indisch Armeense, Indisch Joodse, Surinaamse en Nederlandse roots vind ik het lastig om mijn afkomst te bepalen. Of om mensen uit te leggen hoe het nou precies zit als ze vragen waar ik vandaan kom. Want dan komt altijd de prangende vraag: “En bij welke nationaliteit voel jij het meest thuis?”. Euhm nou… geen idee! Want wat vind ik nou eigenlijk van mijn roots? Nooit over nagedacht tot deze zomer.

Van mijn moeders kant heb ik Indisch Armeens Joodse roots. “Hoe kan dat dan?”, lachen mensen dom. “Nou euh, heb je Geschiedenis gehad?”, vraag ik dan. Vaak hebben ze dan niet opgelet. Dat komt dus dat Indonesië vroeger een kolonie van Nederland was en daar veel handel werd gedreven, ook door Armeniërs. Nou, mijn voorouders zijn dus blijven hangen daar. En omdat Indonesië een kolonie was van Nederland zijn mijn Joodse voorouders vanuit Nederland daarheen verhuisd. Van mijn vaders kant heb ik Surinaams (creools) en Nederlandse roots. “Hoe dan?”, vragen ze dan. “Nou euh, heb je Geschiedenis gehad?” Omdat Suriname ook een kolonie was van Nederland. Er was een Nederlander daar die een relatie begon met mijn Surinaamse oma. “Aah oke, en hoe hebben je ouders elkaar ontmoet dan?”, vragen ze dan. Gewoon in Nederland.

Ik denk wel eens na of ik mij thuis voel ergens. Zo dacht ik altijd mezelf compleet Indisch te voelen, maar als ik rondstruin op de Pasar Malam voel ik me niet thuis. In Indonesië ook niet. Ik herken me te weinig in de mensen, ondanks dat ik ben opgegroeid met de cultuur. Met de Surinaamse cultuur heb ik ook niks. Te veel prikkels ook; dat geschreeuw en die harde muziek. Ik word daar altijd een beetje naar van. Als mensen vragen of ik Surinaams ben reageer ik ook altijd een beetje verward. Met de Armeense heb ik ook weinig. Zo wist ik lange tijd niks van de genocide en sprak ik ooit wat Armenen maar ik voelde geen connectie. Zelfs met Kim Kardashian niet. Dus bedacht ik mij dat ik me gewoon niks voelde. Ook geen Nederlander, ondanks dat ik kwart Nederlands ben. Gewoon een wereldburger en waarom zou ik me ook moeten identificeren met een bevolkingsgroep? Of zoals één van mijn Joods Indische voorouders zei (volgens mijn stamboom site die een verre neef heeft gemaakt): “Ik ben uit de lucht gevallen”.

Totdat ik naar Israël ging. Zodra mijn voet de Israëlische bodem raakte voelde ik mij verbonden. Op een avond besprak ik mijn roots met een groep Joodse Amerikanen die mij ongelooflijk Joods vonden overkomen. Verwonderlijk vroeg ik waarom. “Je denkt veel. Je bent intelligent. De meeste Nobelprijzen zijn gewonnen door Joden. Albert Einstein, Karl Marx en Sigmund Freud waren Joods”, zei er één. Een beetje lacherig antwoordde ik dat ik een vrij hoog IQ heb, maar dat ik niet geloof dat IQ verbonden is aan een bevolkingsgroep. Toch liet ik het idee niet los. Niet zo zeer omdat ik denk dat Joden heel slim zijn, maar omdat ik nog steeds aan het zoeken ben van wie ik mijn hoogbegaafdheid te danken heb. Ik heb het geërfd van mijn moeder, omdat intelligentie door moeders wordt overgedragen. Daarnaast komen er in mijn moeders kant van de familie veel intelligente mensen voor en is mijn moeder ook aardig slim. Toch hebben mijn moeder en ik twijfels of haar moeder, mijn oma (met Indisch Armeense roots), hoogbegaafd/ erg slim was. Mijn Indische Joodse opa heb ik altijd uitgesloten in mijn onderzoek naar mijn hoogbegaafde roots. Ook omdat ik hem nooit heb gekend. Binnenkort ga ik eens speuren in zijn verleden en roots met de hoop wat te vinden. Want ik wil nog steeds weten waarom ik ben zoals ik ben. Wellicht vind ik het antwoord in mijn Joodse roots.